DRINGENDE OPRICHTING VAN EEN OPEN FORUM (Voor OPINIES scroll down)
voor al de conservators-restaurateurs van kunstvoorwerpen en voor al de personen betrokken bij het behoud van het nationaal patrimonium. Dit om gezamelijk vragen en opmerkingen over te maken aan de bevoegde Minister en dit voor 28 november 2007, de uiterste indiendatum voor bezwaarschriften.
Wanneer u bezwaren heeft tegen het verzoekschrift tot wetsontwerp dan kan u:
- Of zelf en via de gebruikelijke administratieve wegen een aangetekende brief zenden naar de bevoegde Minister (gegevens zie laatste regels verzoekschrift) waarin u uw kritiek en bezwaren uit.
Het valt echter te vrezen dat die geïsoleerde bezwaren enkel beschouwd zullen worden als weinig representatief en dat ze weinig gewicht in de schaal zullen leggen tegenover de “officiële representativiteit” van de aanvragende partijen nl. BRK-APROA en de Federatie voor Vrije en Intellectuele Beroepen (instellingen die door het ministerie erkend zijn).
- Of pogen een forum te vormen dat de vragen en opmerkingen van de leden van het forum gebundeld aan de bevoegde Minister overmaakt. Daar een grote meerderheid van conservators-restaurateurs niet aangesloten is bij een professionele beroepsvereniging willen wij het forum ‘onafhankelijk’ van die beroepsverenigingen maken. Dit forum heeft als enig doel een efficiënte reactie op het verzoekschrift tot wetsontwerp in te dienen binnen de wettelijke termijn. Het wenst op geen enkele wijze de taak over te nemen van de bestaande verenigingen.
Enkel een forum dat uit een aanzienlijk deel van de professionele beroepsbevolking is samengesteld zal gewicht in de schaal kunnen leggen tegenover de twee aanvragers. Daarom vragen wij u deel te nemen en deze documenten aan al uw collega’s en andere betrokkenen door te geven.
Gezien de uiterste inleveringsdatum 28 november 2007 hebben de ondertekenaars slechts één enkele praktische en haalbare oplossing gevonden om rekening houdend met die erg korte termijn de meningen te bundelen:
in de rubriek "Uw mening" van deze website vindt u een
Antwoordformulier waarin de vragen en opmerkingen die in ons document geformuleerd werden overgenomen zijn
Wij nodigen u uit om het ons ingevuld, gedateerd en gehandtekend terug te sturen en dit uiterlijk voor dinsdagmiddag 27 november 2007 via fax nr. 056.31.02.21 of 015.20.48.88
U kan schrappen wat niet past en heeft bovendien de mogelijkheid om uw eigen aanvullingen, opmerkingen en uw eigen getuigenis toe te voegen.
Verder is het noodzakelijk om uw naam, beroep, adres en contactgegevens (e-mail/fax) te vermelden en om het document te signeren
Verder vragen wij u de toestemming om dit document aan de bevoegde Minister over te maken en om uw bemerkingen of getuigenis in onze rubriek te mogen overnemen.
De ondertekenaars van deze mail, die allen vrijwilligers zijn, verbinden zich ertoe om dit document aan de bevoegde minister over te dragen en danken u voor uw aandacht en medewerking.
De ondertekenaars
Bart Van Assche, Ann Lievens, Elsje Janssen, Willem Klewais Academie Anderlecht, Daniëlle Depoortere, Ingeborg Tamsin, Yvan Maes De Wit, Daniël De Kimpe, Joke Vandermeersch, Octave Scheire, Johan Van den Eede, Eric Cabris, Els Creytens, Frieda Sorber, Frederik Cnockaert, Torkild Malfait, Johan Cherouter, Johan Joos, Inés Vandewoestijne, Marc De Bolle, Françoise Therry, Jos Schellemans, Ingrid Buelens
En al de leden van Art Restorers Association vzw
En al de leden van Restauratieforum
Ja ! Wij hebben ons vergist !
De uiterste verzenddatum van de opmerkingen is 26 November en niet 28 November
Bij het lezen van de site Forum28nov2007 hebben sommige collega’s waarschijnlijk opgemerkt dat de periode tussen 28 september, publicatiedatum in het Staatsblad, en 28 november 62 dagen telt en niet 60 dagen, de wettelijke termijn voor het indienen van opmerkingen.
De opmerkingen voor het verzoek moeten dus nu zaterdag 26 november per aangetekend schrijven verstuurd worden en niet op 28 november.
Hoe kunnen we deze vergissing verklaren ?
Laat ons eerst opmerken dat de ondertekenaars slechts enkele dagen geleden kennis genomen hebben van het verzoek tot wetsvoorstel en dat ze deze raadpleging in uiterste urgentie georganiseerd hebben. Het uittreksel uit het Staatsblad waarover wij beschikten, en dat u op de site kunt raadplegen, bevat geen publicatiedatum. En het is vooral op de laatste minuut dat wij kennis hebben kunnen nemen van de kaderwet van 24 september 2006 die de procedure reglementeert, een complexe tekst, die wij slechts moeilijk konden terugvinden. Deze werd op het laatste moment op onze site geplaatst, waardoor duidelijk werd dat er een verschil bestaat tussen twee maanden (onze eerste informatie) en 60 dagen, uiterste inleveringsdag.
Op dat moment was het te laat om de naam van de site forum28nov2007, zijn inhoud en vooral onze consultatiestrategie, te wijzigen.
Is dit erg ? Neen !
De mobilisatie van de conservators-restaurateurs staat op dit moment zover dat we nu kunnen stellen dat :
- binnen de wettelijke termijn, dus nu zaterdag 24 november, de ondertekenaars de lijst met opmerkingen die op onze site voorkomen, per aangetekend schrijven naar de Minister zullen versturen. De Minister zal dus niet kunnen betwisten dat ze, binnen de verleende termijn, goed werd geïnformeerd betreffende de inhoud van de geformuleerde opmerkingen.
- binnen de wettelijke termijn een groot aantal conservators-restaurateurs (waaronder al de ondertekenaars maar ook veel andere reeds gecontacteerde collega’s) hun antwoordformulieren aan deze zending zullen toevoegen. Dit zal een representatief geheel vormen tegenover de leden van de aanvragende vereniging (BRK-APROA). De Minister zal niet kunnen betwisten dat de opmerkingen binnen de verleende termijn werden ondersteund door een belangrijke en representatieve groep van leden van het beroep.
Hebben wij uw bijdrage aan de consultatie nog nodig ? Meer dan ooit !
Meer dan ooit hebben wij een groot aantal antwoorden nodig om gewicht en representativiteit te geven aan onze raadpleging.
- indien mogelijk, vragen we u, zo snel mogelijk en vóór 26 november, om 12 uur het formulier op te sturen.
- zoniet, vragen we u dit te doen vóór 28 november om 12 uur.
Zullen de op 26, 27 of 28 november ingevoerde formulieren nuttig zijn ? Zonder twijfel !
Omdat de Minister, na kennisname van de opmerkingen binnen de wettelijke termijn, de omvang van deze raadpleging nóg moeilijker zal kunnen betwisten indien een grote hoeveelheid van bijkomende opmerkingen de eerste een paar dagen later komt steunen.
Omdat wij ervan overtuigd zijn dat Mevrouw S. Laruelle, bevoegd Minister, zeker bezorgd om de democratie en om het algemene belang, geen zuiver administratief argument (van slechts 2 dagen verschil in de ontvangst van de documenten) zal inroepen om deze aanvullende documenten als nietig te beschouwen.
Zij zal zich ook realiseren dat het precies door een totaal gebrek aan publiciteit rond dit wetsontwerp de conservators-restaurateurs te weinig tijd kregen om kennis te nemen en zich te uiten in dit essentieel probleem aangaande hun professionele toekomst.
Indien het behoud van ons patrimonium één van uw prioriteiten is, dient u nu, meer dan ooit, uw mening te uiten door het antwoordformulier (klik rubriek Uw mening) te versturen en op die manier deze grote raadpleging van de leden van het beroep te verstevigen.
De ondertekenaars van forum28nov2007
OPINIES
I have just read this (report of the Conseil Supérieur des Classes moyennes).
It seems to me that the Belgian authorities have demonstrated eminent good sense in their “remarques générales” in this application and their remarks hit the nail exactly on the head. They have also clearly spotted that this application is an attempt to drastically shrink the number of people authorized to work in this sector.
Furthermore it is worrying to see that apparently the claim for protection of professional title was accompanied by a statement that it was not the intention of the applicants to seek to restrict the activity of conservator-restorer to individuals who meet the description set out in the application - when we know that this is EXACTLY what ECCO is working for and has publicly said so on many occasions.
14/05/2008
Alastair McCapra,
Chief Executive of ICON, UK's Institute of Conservation
Artikel bulletin BRK 1-2008: Erkenning van de beroepstitel van conservator-restaurateur van kunstvoorwerpen en cultureel erfgoed
Alain de Winiwarter
De leden , aanwezig op de algemene vergadering van 18 februari, zijn op de hoogte van de evolutie van ons verzoekschrift. Voor de anderen , is het zeker wenselijk een overzicht te geven van de situatie.
We hebben ons verzoekschrift betreffende de erkenning van de beroepstitel « conservator-restaurateur van kunstvoorwerpen en cultureel erfgoed » neergelegd op 5 juni 2007. De wet verplichtte ons om tenminste één nationale interprofessionele federatie - representatief voor vrije en intellectuele beroepen – als peter te nemen. We hebben actieve steun gekregen van twee dergelijke organisaties : het FVIB en UNPLIB. Het FVIB is de « federatie voor vrije en intellectuele beroepen » en de UNPLIB is « l’union nationale des professions libérales et intellectuelles de Belgique ». Deze dubbele peterschap is heel positief.
Vervolgens voorzag de procedure een publicatie van ons verzoekschrift in het Staatsblad. Dit gebeurde eind september.
Tijdens de 60 dagen die volgden op de publicatie – dus tot 28 november – mocht elke geïnteresseerde persoon zich tot de minister wenden met opmerkingen betreffende ons verzoekschrift.
We hebben allemaal kunnen vaststellen dat, eind november, een aantal personen buiten onze vereniging, actie hebben ondernomen en hemel en aarde probeerden te verzetten om onze poging te counteren.
Het is niet aan mij om de motivatie van de oprichters van « forum 28 november » te beoordelen, in tegendeel, het is goed om voor sommige zaken de puntjes op de i te zetten. Het forum heeft een tendentieuze samenvatting gemaakt van ons verzoekschrift en heeft hierdoor talrijke personen laten reageren op basis van een karikatuur van onze bedoelingen en op een verdraaide voorstelling van de kaderwet.
Mogen we eraan herinneren dat de kaderwet het dragen van een beroepstitel van een intellectueel dienstverlenend beroep beoogt , net zoals het dragen van de titel van een ambachtelijk beroep. De wet is bijgevolg in twee stukken verdeeld.
We hebben gekozen om ons verzoekschrift voor te leggen in het kader van de intellectuele dienstverlenende beroepen om in overeenstemming te zijn met het opleidingsniveau beschreven in de Professional Guidelines van E.C.C.O., erkend sedert vele jaren door de betrokken milieus. Dit houdt echter niet in, dat ons beroep enkel intellectueel wordt. Talrijke dienstverlenende beroepen zoals dat van ons , zijn gebaseerd op een opleiding die bestaat uit een evenwicht tussen theorie en praktijk ; zoals bijvoorbeeld verscheidene medische beroepen zoals chirurgen en tandartsen.
In ons verzoekschrift hebben we opleidingen opgesomd die momenteel een Masterdiploma uitreiken ; dit op aanvraag van de minister. Maar dit bleek een vergissing want het geeft de indruk het aantal opleidingen in Conservatie-Restauratie te willen beperken. Een dergelijke beperking is niet onze verantwoordelijkheid, enkel de inhoud en de duur van de studies tellen. De vermeldingen zullen geen deel uitmaken van het koninklijk besluit .
Een andere klacht betrof het ontbreken van overleg vòòr het neerleggen van ons verzoekschrift. Ongetwijfeld was een ruim overleg wenselijk. Daarom heeft de BRK-APROA gedurende deze laatste 17 jaar , wijd verbreid volledige informatie verspreid betreffende de definitie van ons beroep, haar eisen betreffende de opleidingen, het niveau van de behaalde diploma’s. Deze verspreiding gebeurde eveneens door de erkenning en de verspreiding van het document « E.C.C.O. Professional Guidelines », daterend van 1993 en erkend door het geheel van de Conservatie-Restauratie gemeenschap. Via conferenties, officiële vergaderingen en officiële documenten, werden deze « Professional Guidelines » gebruikt en aanvaard als referentie door de gehele sector in België en Europa. Het is bijgevolg paradoxaal om vast te stellen dat de « Professional Guidelines » eveneens openlijk gebruikt werden als referentie door de verenigingen en opleidingen die op ons verzoekschrift hebben gereageerd.
Anderzijds werden in de loop der jaren in talrijke artikels, verschenen in de pers, regelmatig onze intenties meegedeeld. Onze projecten werden dikwijls uitgelegd tijdens onze vergaderingen en in ons trimestrieel bulletin, waarop trouwens conservators van musea en andere professionelen uit de sector geabonneerd zijn.Het dossier was bijgevolg open en toegankelijk voor elke geïnteresseerde persoon.
Een ander punt dat werd aangehaald, betrof de voorziene overgangsperiode van 6 maanden. Men kan deze inderdaad als enigszins kort aanzien, maar ze is door de kaderwet, en bijgevolg buiten onze wil, vastgelegd.
We zijn tijdens deze overgangsmaatregelen open voor bepaalde verbeteringen wat betreft de studenten in opleiding. Maar, rekening houdend met het feit dat de uitoefening van het beroep op andere opleidings- en verantwoordelijkheidniveaus altijd mogelijk zal blijven onder andere benamingen, is het onvermijdelijk dat er limieten in tijd worden vastgelegd tijdens de overgangsperiode, voor het octrooi betreffende de titel.
De beoefenaars van ambachtelijke beroepen voelen zich bedreigd.. We vernoemen hen in ons verzoekschrift als volgt : « De professionele activiteiten van de conservator-restaurateur zijn verschillend van de artistieke of ambachtelijke beroepen. Eén van de essentiële criteria voor dit verschil, is dat de conservator-resaurateur geen nieuwe culturele objecten creëert Fysische reconstuctie van wat verdwenen is of niet kon worden bewaard, is het domein van de ambachtsman of van artistieke beroepen zoals siersmeden, vergulders, meubelmakers, decorateurs en andere.
Ter verduidelijking stelden we voor het volgende toe te voegen: « Een regelmatige samenwerking tussen conservators-restaurateurs en ambachtelijke beroepen zal uiteraard worden voortgezet. Ambachtslui die cultureel erfgoed geheel of gedeeltelijk kunnen hermaken, spelen een rol in de bescherming van het erfgoed. Deze rol is complementair en mag niet verward worden met deze van de conservator-restaurateur.“
Er is dus geen sprake van om de bescherming van het patrimonium uitsluitend voor conservators-restaurateurs voor te behouden. De andere betrokkenen zullen hun beroepspraktijken, op basis van opleidingen van andere aard en andere niveaus, kunnen blijven voortzetten. Wat meer is, deze samenwerking is nodig om het proces Conservatie-Restauratie in goede banen te leiden. Deze samenwerking bestaat en zal blijven voortbestaan.
We kunnen de argumenten, van de personen die werden afgeschrikt door ons verzoekschrift, blijven weerleggen en staan open voor elke discussie of vragen over toelichtingen. Op deze wijze hebben we sedert november geprobeerd om te interveniëren op de site van forum 28 nov. om de deelnemers te informeren. Maar onze brief met informatie werd niet geplaatst op de site. Dit is heel spijtig omdat dit een hoop ongerustheden en misverstanden had kunnen vermijden bij professionelen te goeder trouw.
We moeten nu onze stappen naar het ministerie toe voortzetten, ten einde ons alle kansen toe te eigenen om dit project voor de erkenning van de beroepstitel van Conservator-Restaurateur van kunstvoorwerpen en cultureel erfgoed , tot een goed einde te brengen.
Hiervoor is alle goede wil en elk voorstel welkom.
Alain de Winiwarter. a.dewiniwarter@busmail.net
www.forum28nov2007.be
Het verzoekschrift tot wetsontwerp betreffende “de bescherming van de beroepstitel conservator-restaurateur van kunstvoorwerpen”
Beste Collega Restaurator / Conservator van kunstvoorwerpen,
Eerst en vooral willen wij u namens de werkgroep Forum28nov2007 danken voor uw antwoord naar aanleiding van onze informatie-actie en onze bevraging in verband met het bovenvermelde project.
Wij hebben in totaal meer dan 150 antwoordformulieren ontvangen. Een eerste pakket van 110 formulieren werd, binnen de wettelijke termijn, op 24 november 2007 naar Mevrouw de Minister Laruelle gestuurd. Een tweede deel volgde op 28 november 2007. Ondertussen werden de formulieren geanalyseerd, samengevat en in grafieken omgezet.
Deze samenvatting werd op 20 december 2007 naar de Minister verstuurd samen met de laatste antwoordformulieren, een adressenlijst van de deelnemers evenals enkele internationale reacties op de kernvraag: “is het beroep van hoofdzakelijk intellectuele of van intellectuele en manuele aard?”. Deze documenten vindt u in bijlage.
Volgens de wet heeft de Minister 60 dagen om te antwoorden en haar visie te preciseren. Wij verwachten daarom rond einde januari 2008 een reaktie.
Aanmoedigend zijn de reakties die wij ondertussen ontvingen van Minister Bert Anciaux (zie brief in bijlage) en de belofte van het kabinet van Minister Vandenbroucke om Mevrouw Laruelle en Mevrouw Arena aan te schrijven betreffende zijn “bekommernis inzake de betrokken opleidingen in het secundair en volwassenen onderwijs en de vraag naar meer systematisch overleg m.b.t. de gereglementeerde beroepen”.
Hiermee zit de taak van deze werkgroep er op nl. zoveel mogelijk collega’s zo volledig en zo snel mogelijk informeren. Gelieve ons te excuseren indien u reeds eerder een antwoord van ons verwachtte. De leden van de tijdelijke werkgroep zijn, net als u, zelfstandigen. Het zijn vrijwilligers die hun zelfstandige activiteit voortzetten maar die tegelijkertijd de noodzaak inzien van een degelijke reglementering in het algemeen belang.
Het is opmerkelijk dat 94% van de professionelen die een antwoord instuurden achter een bescherming van de beroepstitel staan maar dan niet op de wijze zoals voorgesteld door de aanvragers, BRK-APROA en de Unie van zelfstandige en intellectuele beroepen.
Een reglementering naar uw wensen kan enkel tot stand komen wanneer Mevrouw de Minister zich kan wenden tot een geloofwaardige, goed georganiseerde en representatieve gesprekspartner. Het is immers onmogelijk om te onderhandelen met 150 zelfstandige professionelen verspreid over België. Enkele van de leden van de werkgroep zijn daarom bezig met de voorbereiding van een geldig discussieplatform. Dit vergt echter nog wat denk- en zoekwerk maar wij komen hier kortelings op terug.
Met collegiale groeten en tevens onze beste wensen voor een gelukkig en succesvol 2008.
Namens de werkgroep, 21.01.2008
Forum28nov2007
Care of IPS
Tempelstraat 24
3210 Linden
Mevrouw S. Laruelle
Minister van Middenstand
Ter attentie van de heer Desmet-Carlier, Directeur-Generaal
Algemene Directie KMO-beleid
WTC III, 27ste verdieping, Simon Bolivarlaan 30
1000 Brussel Aangetekend
Betreft: opmerkingen bij het verzoekschrift tot wetsontwerp tot ‘bescherming van de beroepstitel van conservator-restaurateur van kunstvoorwerpen en cultureel erfgoed’ brief 4
Linden, 20 december 2007
Geachte Mevrouw de Minister,
De werkgroep Forum 28.11.07 heeft onlangs tot groot genoegen van het merendeel van de professionele conservators/restaurators een initiatief genomen naar aanleiding van het verzoekschrift voor een wetsontwerp met het oog op de bescherming van de titel van conservator-restaurator van kunstvoorwerpen en cultureel erfgoed.
Informeren was inderdaad de eerste bedoeling van het forum.
Een bijzonder nuttige taak daar, op enkele dagen voor de sluiting van een kapitale vraag naar de toekomstige organisatie van hun beroep, kwasi niemand, behoudens een deel van de leden van BRK, de informatie had!
Een onontbeerlijke taak daar de behandelde vraag niet enkel zal beslissen over wie en wie niet de professionele titel conservator/restaurator zal mogen voeren. De vraag zal tevens enorme gevolgen hebben op de wijze waarop het beroep zal kunnen uitgeoefend worden (cfr. bijlage 1).
Het tweede objectief bestond erin reacties en meningen los te weken.
Taak volbracht daar we binnen de twee dagen méér dan 120 reacties ontvingen. Vandaag zijn dat er méér dan 150. Dit zonder rekening te houden met de talrijke personen die verkozen zich rechtstreeks tot u, Mevrouw de Minister, te richten.
Deze raadpleging was ook bijzonder verhelderend daar, voor elke vraag, 80 tot 99% van de stemmen de eerste reacties van de ondertekenaars van Forum 28.11.07 hebben goedgekeurd. De deelnemers waren a rato van 99% verwonderd dat ze niet waren ingelicht en hebben sommige standpunten van het project veroordeeld als zijnde onjuist en eenzijdig. Tevens beschouwden ze bepaalde methodes vanwege de vragende partijen als weinig collegiaal.
Gelieve in bijlage 2 de details van de ontvangen antwoorden te willen vinden, ze laten geen plaats voor twijfel. Zoals uiteengezet in de commentaren in bijlage 1 kan men onmogelijk naast het feit kijken dat dit wetsvoorstel veeleer de belangen van de leden van een beroepsvereniging (of van bepaalde van hun leden) verdedigt dan wel de belangen van het werkveld in zijn geheel, alsook het algemeen belang.
Daarenboven nodigt 90% van de beroepslui die ons hun antwoord toezonden en het wetsvoorstel afkeurden u uit het wetsvoorstel niet te amenderen doch het in zijn geheel te verwerpen.
Inderdaad, het is de definitie zelf van het beroep, “diensten van hoofdzakelijk intellectuele aard”, de hoeksteen van het wetsvoorstel, dat als onjuist en eenzijdig beschouwd wordt door 80% van de deelnemers aan de raadpleging. Zodoende, en meer dan ooit, vreest 94% voor misbruik, oneerlijke concurrentie en ongelijke behandeling wat dit beroep vroeger reeds tekende. Slechts de raadpleging van het gehele werkveld en een meer geloofwaardige en universeel erkende definitie, van intellectuele en manuele aard kunnen een gezonde en geloofwaardige basis leggen voor de bescherming van het beroep.
Om al die redenen vragen we u, Mevrouw de Minister, om iedereen die beroepshalve actief is in deze sector, al dan niet aangesloten bij een beroepsvereniging en ook de nog niet-erkende beroepsverenigingen, de nodige tijd te gunnen om zich te organiseren. Dit teneinde, in samenwerking met BRK, en op korte termijn een nieuw wetsvoorstel ter bescherming van het beroep en de titel te kunnen voorbereiden. Dit wenst 94% van de deelnemers aan onze bevraging.
Bij voorbaat danken we u, Mevrouw de Minister, voor de aandacht die u aan dit schrijven zal willen schenken. In het vertrouwen u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd en steeds bereid tot verdere toelichting of bijkomende informatie, tekenen wij
Met de meeste hoogachting
Namens de ondertekenaars Forum 28.11.2007
Bijlagen : 5
1) bijlage bij deze brief
2) resultaten antwoordformulier
3) internationale reacties
4) laatste reeks antwoordformulieren (28.11.07 – 5.12.07)
5) adressenlijst deelnemers
Bijlage 1
Bijlage bij de brief
Een wetsvoorstel ter verdediging van het beroep van conservator/restauratoeur of ter verdediging van de belangen van een beroepsvereniging (of een deel van haar leden)?
Waarom werd dit cruciale wetsvoorstel voor de organisatie van het beroep voorgesteld zonder het medeweten van de grote meerderheid der belanghebbenden?
We stellen vooreerst vast dat dit wetsvoorstel, mocht het goedgekeurd worden, binnen het beroep een ware revolutie zou teweeg brengen. Trouwens, geen enkel ander Europees land heeft zich gewaagd aan dergelijk avontuur. In tegenstelling tot de standpunten, aangekaart door de vragende partijen, betreft dit wetsvoorstel niet enkel de bescherming van de titel conservator/restaurator maar, in de praktijk, tevens de uitoefening van het beroep zelf. Immers, vanaf het ogenblik dat de wet zal bepaald hebben wie al dan niet conservator/restaurator is, kan men zich nog moeilijk voorstellen dat de openbare instellingen hun kunstwerken zouden toevertrouwen aan personen die, op basis van de wet, niet meer gekwalificeerd zijn deze titel te dragen. Het lijdt geen twijfel dat ze geen toegang meer zullen hebben tot de openbare aanbestedingen, wat de vragende partijen ook mogen stellen. Daarenboven, hoe kunnen beroepslui, die het verbod kregen de titel conservator/restaurator te dragen, hun activiteit nog normaal uitoefenen daar, waar ze op geen enkel document, op geen enkel uithangbord, hun hoedanigheid nog mogen kenbaar maken? Hoe kan men zich tot een klant richten, diens vertrouwen bewaren wanneer men de titel verliest die de hoedanigheid definieert? Met dergelijke onoverbrugbare handicaps zal het moeilijk te vermijden zijn dat diegenen die de titel niet dragen geleidelijk uit de restauratiemarkt zullen verdreven worden, zelfs naar de private klanten toe.
Deze ingrijpende gevolgen van de nieuw voorgestelde wetgeving kunnen niet genegeerd worden.
Hoe kan men bijgevolg verklaren dat dit zo belangrijke verzoekschrift dat iedereen in het beroepsveld aanbelangt zonder het medeweten van het grootste deel van de conservators/restaurators op punt werd gesteld en door de vragende partijen werd uitgebracht? Deze beweren immers de verdedigers te zijn van het algemeen beroepsbelang.
De publicatie van het verzoekschrift in het Staatsblad zonder enige andere vorm van kennisgeving is daarom onbegrijpelijk en niet te rechtvaardigen.
Waarom steunt dit wetsvoorstel op een definitie van het beroep “van hoofdzakelijk intellectuele aard” die indruist tegen de algemene consensus en die eenzijdig is?
De definitie van het beroep zoals beschreven in punt 2.6 van het wetsvoorstel, bevestigd en preciezer omschreven in punt 4 van artikel 2 hoofdstuk I titel II van de kaderwet dd. 24 september 2006 laat geen enkele verwarring toe : het beroep van conservator/restaurator wordt wel degelijk gedefiniëerd als zijn de “van hoofdzakelijk intellectuele aard” en in geen geval “van intellectuele en manuele aard” zoals de vragende partijen verkeerdelijk beweren.
Nochtans druist deze definitie in tegen de algemene consensus zoals door onze enquête bevestigd. Inderdaad, 80% van de deelnemers definiëren het beroep als zijnde van “intellectuele en manuele” aard. Daarenboven, in geen enkele tekst van ECCO, noch van enige andere buitenlandse beroepsvereniging, vindt men deze eenzijdige definitie terug. Tenslotte, raadpleegden we de belangrijkste internationale actoren van het beroep in een der specialiteiten (zie bijlage 3). Geen enkele geraadpleegde autoriteit heeft deze nieuwe definitie goedgekeurd; integendeel, ze onderlijnen de complementariteit van de intellectuele en manuele aspekten van het beroep en, soms, zelfs het gevaar dat dergelijke eenzijdige definities inhouden.
Nochtans, deze nieuwe definitie is de hoeksteen van het wetsvoorstel daar ze de prioriteiten, de beleidsprincipes van het beroep en noodzakelijkerwijs de selectiecriteria bepaalt.
Hoe kan men uitleggen dat beroepslui, die beweren het algemeen belang te verdedigen, zich baseren op een dermate eenzijdige definitie van het beroep en ze daarenboven in een wetsvoorstel voorhouden als een evidentie om deze zodoende aan elke betwisting te onttrekken?
Dit is niet te begrijpen en niet te rechtvaardigen tenzij deze eenzijdige definitie wel bewust is en beantwoordt aan specifieke motivaties.
Hoe zo weinig collegiale methodes en eenzijdige definities van het beroep verklaren?
Niemand zal geloven dat deze nieuwe definitie van het beroep vrijblijvend is en dat de discretie deze te laten bijtreden door de openbare macht toevallig is.
De nieuwe definitie van het beroep lijkt ons immers het instrument dankzij hetwelke, binnen het wetsvoorstel, de machtsverhoudingen binnen het beroep zouden veranderen in het voordeel van een bepaald type conservator/restaurator.
Inderdaad, zo de geleverde diensten als “hoofdzakelijk intellectueel” zouden bestempeld worden, verwerven de intellectuele conservators/restaurators logischerwijs voorrang van kennis ten overstaan van het te behandelen object. De praktijkmensen met de manuele, empirische en technische kennis daarentegen degraderen naar een ondergeschikte categorie.
Het is exact dezelfde logica die in het wetsvoorstel de toegang tot het beroep reglementeert; ze bevoorrecht op zonneklare wijze de academische vorming, onvermijdelijk ten nadele van de praktische vorming. Immers,
- enkel de houders van een diploma der drie hogescholen krijgen in beginsel en automatisch het recht de titel van conservator/restaurator te voeren
- geen enkele praktische vorming wordt van deze hogeschool-gediplomeerden vereist
- alle andere bestaande vormingen die theorie en praktijk samenvoegen worden totaal vergeten
- geen enkel krediet wordt toegekend aan “de waarde van de ervaringsdeskundige” (zoals bv. in Frankrijk aan de DMF)
- tenslotte wordt geen enkele waarborg van neutraliteit gegeven in verband met de administratieve commissie, noch op het vlak van haar samenstelling, noch op het vlak van de selectiecriteria die ze zal hanteren. Zoals het voorstel nu luidt zal ze de handen vrij hebben om de “ouderen” die geen lid zijn van BRK-APROA te aanvaarden of te weigeren. De beroepslui weten immers tot welk punt deze commissies onafhankelijk en belangeloos handelen en in welke mate ze moeten vrezen dat ervaren en talentrijke beroepsmensen zullen worden uitgesloten (cfr. vraag 7 van de resultaten van de enquete goedgekeurd met 94%)
Aldus wordt het zeer duidelijk dat, door middel van de eenzijdige definitie van het beroep, de auteurs van het voorstel bewust :
- de mening van het geheel van het beroepsveld hebben willen negeren
- de talrijke andere beschikbare en eveneens kwalitatieve vormingen, die theorie en praktijk verenigen, op discriminerende wijze hebben verworpen.
Zodoende hebben de auteurs van het wetsvoorstel veeleer hun eigen bescherming nagestreefd en de belangen van de vragende organisatie gediend (of althans van bepaalde van hun leden). De belangen van het beroep alsook het algemeen belang werden daarbij volledig over het hoofd gezien.
Bijlage 3 / Annexe 3
Enkele internationale reacties / quelques réactions internationales
Réponses à la question reprise à la fin de ce document.
Tom Campbell
Curator in the Department of European sculpture and decorative Arts and
Supervising curator of the A. Ratti Textile Center, at
The Metropolitan Museum of Art, New York
Personally, I would have no hesitation in saying that tapestry conservation requires a range of different skills, intellectual and practical, and that a well equipped conservation laboratory has staff who are versed in the science of dyestuffs and textile analysis, along with other staff who combine manual dexterity and experience in hands-on weaving. But it is not necessary for a single individual to combine all these skills. On the contrary, I would argue that a traditional apprenticeship with a weaver is as valuable for somebody who wants to be a tapestry conservator as a university degree. There are currently plenty of people with degrees in textile conservation, but many of them have little hands-on experience of tapestry conservation. Or the patience or desire to engage with that aspect of textile conservation.
Thus, in response to your question, I have no hesitation in saying that I consider tapestry conservation to be an "intellectual and manual" service.
Tom
Robin Hanson
Head Textile Conservation
The Cleveland Museum of Art
In response to your question in the previous email about whether I consider that the profession of conservator-restorer is
“mainly an intellectual’’ service or an ‘’intellectual and manual’’ service, I guess I think that it is both an intellectual and manual endeavor, since good hand skills are a pre-requisite for being a good conservator, as are good intellectual (problem solving) skills.
Robin
Christa Thurman
Curator, Conservator of the Textile Department
Art Institute of Chicago
Vice president of CIETA
Your question: Conservation work is extremely complex - it is a curious mixture of a lot of intellectual work and thinking, combined with a mind for scientific detail, well trained hands etc.
I hope this will help.
Christa.
Ksynia Marko
Head of Textile Conservation Studio
National Trust, UK
In reply to your question I consider that the profession of conservator-restorer is an intellectual and manual service.
When advertising a job we ask that the candidate should have a conservation qualification and specialist training in textile conservation. They should be working towards professional accreditation. (PACR - This is a recognition of an experienced conservator with more than 5 years experience after basic training. However basic training does not have to include a graduate qualification but could be a practical apprenticeship training.) …...
It is important for anyone who is involved in the profession to have practical experience in order to know how best to solve problems even if they then do not carry out the work themselves but are managing others. The manual act of conservation is a thinking process - you cannot divorce one from the other.
You might find it useful to look at the UK Institute of Conservation website where you will find information about accreditation and training. The accreditation information sets out the levels of competence expected. www.Icon.org.uk
Ksynia
Nicole de Reynies
Conservateur général du patrimoine, Direction des Musées de France
(à la retraite depuis récemment)
a également été Directeur des collections du Mobilier national et des Manufactures des Gobelins, de Beauvais et de la Savonnerie.
A priori je dirais intellectuelle et manuelle.
…Bien sûr le côté manuel est essentiel, mais pas sans le cerveau qui guide le travail!
…Ai-je compris le curieux problème que l'on se pose en Belgique? Je n'en suis pas sûre.
N. de Reyniès
Vincent Cochet
Conservateur du patrimoine, Inspecteur des Monuments Historiques
Responsable de la région Centre, France.
Pour la question concernant le statut des restaurateurs, il est très clair dans mon esprit que les prestations sont non seulement intellectuelles mais aussi manuelles. En effet, dès lors qu'il est question d'examiner une œuvre et de prévoir une intervention sur celle-ci, la réflexion (travail intellectuel) vise une phase opérationnelle et donc un travail manuel. Par ailleurs, si la pratique ne peut être sous-tendue par une réflexion, la réflexion doit permettre de proposer une action sur l'œuvre en respectant la déontologie. Sans la pratique, quelle valeur donner à une réflexion alors même que l'objectif est d'intervenir sur la matière d'une œuvre? Si la prestation est "principalement intellectuelle", cela signifie, si le raisonnement est poussé à l'extrême, que la prestation manuelle est l'affaire d'autres personnes... qui ne seraient pas des restaurateurs au mêmes sens que ceux qui "pensent"? Je crois que toute la richesse des restaurateurs réside justement dans la combinaison d'un savoir et de capacités à intervenir.
Voici en quelques lignes le fond de ma pensée.
Cordialement. Vincent Cochet
Dominique De Reyer
Ingénieur d’étude rattaché au pôle textile du LMRH Laboratoire de Recherche des Monuments Historiques
Champs sur Marne, France
Je ne connais le texte d'où sont extraites ces phrases, et vous comprendrez que c'est toujours très délicat d'apprécier une idée hors de son contexte. Naturellement comme vous le présentez, je dirai que pour moi la profession de restaurateur doit être considérée comme "intellectuelle et manuelle ". Je me suis permise de diffuser votre question à mes collègues du laboratoire. Peut être aurez-vous d'autres réponses.
Cordialement à vous
Dominique De Reyer
Arnauld Brejon
Directeur des collections du Mobilier national et des Manufactures des Gobelins, de Beauvais et de la Savonnerie.
Ancien conservateur en chef du Musée des Beaux Arts de Lille
Pour moi, il faut évidemment INTELLECTUEL ET MANUEL.
Marzia Cataldi Gallo
Soprintendente per il Patrimonio Storico, Artisitco della Liguria,
Genua Italy
Du premier coup d`œil je pense que intellectuel et manuel soit le juste…
Ce qui arrive en Belgique me semble très étrange, comme c'est - ou bien devrait - être désormais acquis que la préparation des jeunes qui veulent exercer la profession de restaurateur doivent suivre des cours d'histoire de l'art mais surtout des cours de chimie et de toutes les notions pratiques dont ils peuvent avoir besoin dans leur travail….
Marzia
Dra. Concha Herrero Carretero
Conservateur des textiles
Patrimonio Nacional
Área de Conservación, Palacio Real Madrid
Je t'envoie rapidement ma réponse, comme historien, comme conservateur de la collection royale des tapisseries d'Espagne et à titre personnel.
Les termes conservation et restauration en Espagne son deux termes parallèles mais pas synonymes. Le conservateur c’est l’historien chargé du registre, de l’informatisation des inventaires, de l’inventaire, la recherche scientifique, la conservation préventive, les projets muséographiques et muséologiques, d’informer au chercheurs, etc.
Aujourd’hui le restaurateur, c’est le diplômé et/ou licencié, mais aussi l’ouvrier expérimenté et spécialisé, qui sous la direction des conservateurs et restaurateurs licenciés, intervient sur les tapisseries pour leur nettoyage, doublure, recomposition de trames et chaînes, application des systèmes de suspension, élaboration des dossiers d’intervention, surveillance régulière sur leur état physique, etc.
Pour ça je considère, sans doute, la profession de conservateur - restaurateur, comme une profession délivrant des services de nature
« intellectuelle et manuelle »
Concha
Frances Hartog
Senior Textile Conservator
Victoria and Albert Museum
London
I believe the second statement to be correct - that textile conservation is both intellectual and manual.
I have been a textile conservator for nearly 20 years and have been involved with training. I am of the firm belief that though an academic grounding is desirable and an understanding of science essential, if a student lacks practical skills they will never become an effective conservator.
Typically a practicising conservator will spend between 50% to 80% of their time undertaking practical treatments that require a high level of manual skills.
I hope this is clear and of assistance.
Best wishes
Michèle Giffault
Conservateur en chef
Musée départemental de la tapisserie, Aubusson
Ancien responsable de ARC Nucléart, Grenoble
Pour répondre rapidement à votre question sur la profession de conservateur restaurateur et à la définition de cette profession, je ne crois pas du tout qu’il s’agisse d’une profession principalement intellectuelle : ce serait même une conception assez dangereuse !!!
On pourrait corriger et surtout compléter en disant qu’il s’agit d’une profession intellectuelle et manuelle ou et technique.
Pour avoir dirigé un centre de conservation et restauration (ARC Nucléart, à Grenoble) pendant 12 ans, je peux vous dire que ce débat sur la définition me semble plus relever d’une forme de complexe que d’une véritable éthique !
Bien évidemment il convient que tout geste soit éminemment pensé et compris mais ceci est valable dans toutes les professions, même si c’est à des degrés divers.
Heureusement que la profession est manuelle, elle est humaine : de la conception à l’exécution c’est tout l’organisme qui agit, comme au moment de la création, en interactions.
Michèle Giffault
André Brutillot
Responsable de l’atelier de restauration textile au
Bayerisches Nationalmuseum, Munich
Pour ce qui est de votre question Nous avons un problème identique en Allemagne; beaucoup de jeunes restaurateurs- conservateurs diplômés travaillent surtout sur ordinateur, font de grands projets (concepts de restauration) qu'ils ne réalisent pas. On a l'impression qu'ils ont peur des œuvres d'art. On a été autrefois très interventionniste, ce qui a été certainement une erreur et souvent des restaurations ont détruit des informations essentielles. Certes mais à mon avis ce n'est pas une raison pour ne pas intervenir quand cela est obligatoire (et seulement quand c'est obligatoire).
Pour moi notre profession est un métier intellectuel et manuel, seul un contact constant avec les œuvres d'art permet de les connaître vraiment et notre rôle est de les conserver avec toutes leurs informations. J'ai peur que le conservateur-restaurateur "intellectuel" perde le contact avec les objets, que ceux ci soient ensuite restaurés par des "petites mains" chargées d'exécuter les concepts de restauration pensés par d'autres. Personnellement mes méthodes de conservation ont toujours été adaptées et ont évolué seulement au contact des œuvres et chaque point de couture doit être réfléchi et non exécuté par une personne qui fait ce qu'on lui ordonne de faire. Il me semble très difficile de connaître des œuvres (et notre rôle est de les connaître non seulement sous leur aspect artistique historique et porteur d'informations sur des temps révolus mais surtout de faire connaissance de la matière qui les compose, de reconnaître l'état de cette matière et éventuellement d'intervenir pour ralentir sa dégradation) sans avoir un contact physique avec elles. Cette connaissance de l'état de la matière de l'ouvre n'est, à mon avis, possible qu'en "travaillant" sur elle. Bien à vous.
André.
Ebeltje Hartkamp-Jonxis
Curator of Textiles
Department of Fine Arts
Rijksmuseum Amsterdam
The position of (textile) conservators is also an issue in the Netherlands. It is both discussed in museums as in circles of independent conservators. As for conservators working in museums, in some institutions two types of conservators are distinguished: one ‘only’ working at the objects, another combining science with conservation. Personally, I find this a undesired development, the more since financial appraisement can be involved.
As for your question whether the profession of conservator-restorer is ‘mainly an intellectual’ service or an ‘intellectual and manual’ one, I am convinced that it should and can only be ‘intellectual and manual’. Stressing the intellectual side of the profession, as paraphrazed in the first defination may eventually lead to the end of the profession. When higher salaries are paid for looking through binoculars and publishing research on objects than for people conserving and restoring actual objects, the answer is not difficult to find. (Hospitals in the Netherlands have faced this problem dramatically. Since some time there seems to be a chance that nurses will be allowed to go back to their patients, instead of doing their research jobs in making new procedures for the care of patients).
------------------------------------------------------------------------------------------------------------
La Question
Cher…
Le monde de la conservation d’œuvres d’art en Belgique est en ce moment très agité suite à une projet de loi de protection du titre de « conservateur-restaurateur » d’œuvres d’art proposé par une association professionnelle.
Les auteurs du projet, considèrent que la profession est de nature « principalement intellectuelle » ce qui a évidemment des conséquences importantes sur le profil des personnes qui seraient à l’avenir autorisées ou non à porter le titre de restaurateur ou conservateur d’œuvres d’art (et à plus long terme probablement de l’exercer).
J’aimerais vous demander votre avis sur cette qualification et je le demande également à des confrères des musées étrangers avec qui nous travaillons régulièrement.
La question est donc :
Considérez-vous la profession de conservateur-restaurateur d’œuvres d’art comme une profession délivrant des services de nature…
« principalement intellectuelle » ou
« intellectuelle et manuelle »
Je vous serais très reconnaissant de me dire laquelle des deux formules est selon vous la plus adaptée à la nature particulière de la profession. Une réponse brève soit un choix entre les deux formulations est bien entendu tout à fait suffisant.
Si vous trouvez le point trop délicat, je comprends parfaitement que vous préfériez ne pas répondre.
En vous remerciant d’avance.
Yvan
The Question
Dear
The Belgian professionals in the field of conservation and restoration have recently been shaken up by a new law proposing the protection the professional title of conservator-restorer of works of art. The outline of this proposition was drawn by a professional restorer’s association.
The authors of this proposition consider that the profession is by nature ‘mainly intellectual’. This will have serious implications on the profile of any person who wishes to develop a future career in this profession.
I would now like to contact a number of our colleagues abroad and ask for their opinion on this subject :
Do you consider that the profession of conservator-restorer is
“mainly an intellectual’’ service or an
‘’intellectual and manual’’ service.
I would be most grateful if you could indicate which of both formulas you consider the most accurate to describe the nature of this profession.
A brief answer, indicating your preference between both versions, would be sufficient.
If you find the question too delicate, I understand that you would prefer not to answer and I ask you to forget this email.
Thank you very much for your consideration.
Yours,
Yvan
Toutes les personnes contactées ont répondu.
Toutes les réponses sont reprises dans ce document.
Toutes les personnes ont donné leur accord pour que leur opinion soit transmise à leurs confrères belges
Aan: Mevrouw van de Meersch
Email: joke@jokevandermeersch.be
Amsterdam, 14 december 2007 Betreft, beroepsbescherming
Geachte mevrouw van de Meersch,
Restauratoren Nederland is de beroepsvereniging voor conservering en restauratie in Nederland. Ook hier én op Europees niveau werkt men aan de beroepsdefiniëring om uiteindelijk tot beroepsbescherming te komen. In dit kader werkt Restauratoren Nederland in samenwerking met Vlaanderen, met steun van het Vlaams Nederlands Cultureel Verdrag, aan het project beroeps-en competentieprofielen. Immers, aan de bescherming van de titel conservator/restaurator, zal een gedegen profiel ten grondslag moeten liggen. De uitkomst van de eerste fase van dit project is dat het beroepenveld uiteenvalt in drie te onderscheiden beroepen. Vooralsnog gebruiken we daarvoor de internationale (Engelse)termen. Wij onderscheiden:
De conservator/ restorer
De conservation technician
De conservation assistent
Op dit moment wordt er hard gewerkt aan de bijbehorende competenties.
Ondanks het harde werken van de verschillende beroepsverenigingen in binnen en buitenland, ook op Europees niveau door de E.C.C.O is het beroep nog altijd onbeschermd. Maar het beroep staat niet op zich. In het beheer en behouds werkveld bevinden zich vele spelers. Restauratoren Nederland heeft als beroepsvereniging maar ook als beschermer van ons cultureel erfgoed gekozen voor een gestructureerde aanpak waarbij alle beroepen een plaats krijgen. Hierbij is ook veel aandacht besteed aan de onderlinge samenhang van de verschillende beroepen. Nog nooit is er zo n gedegen onderzoek is uitgevoerd waarbij over de grenzen van één beroep is gekeken. Met de uitkomsten van het onderzoek is het mogelijk om de bijpassende kwaliteitseisen voor de beroepsbeoefenaren, de opleidingseisen en de verschillende niveaus te formuleren. Pas dan zal deze documentatie de bouwstenen kunnen leveren voor beroepsbescherming.
In een eerdere reactie heeft Restauratoren Nederland haar bezorgdheid geuit over het plotselinge wetsvoorstel dat in België is ingediend.
Met vriendelijke groet,
Willemien ‘t Hooft
Directeur RN
Vlaamse Regering
Vlaams minister van Cultuur, Jeugd,Sport en Brussel
Arenberggebouw
Arenbergstraat 7, 1000 BRUSSEL
Tel. 02-552 69 00
Fax. 02-552 69 01
E-mail: kabinet.anciaux@vlaanderen.be
de heer Minister van Middenstand
t.a.v. de heer Desmet-Carlier
Directeur-generaal
Algemene Directie KMO- Beleid
WTC III, 27e verdieping
S. Bolivarlaan 30
1000 Brussel
uw kenmerk ons kenmerk bijlagen
BA/GRE/PE/HVN
vragen naar / e-mail telefoonnummer datum
Pascal Ennaert 02/522 69 00 12 december 2007
pascal.ennaert@vlaanderen.be
Betreft : verzoekschrift tot bescherming van de beroepstitel van Conservator-Restaurateur van Kunstvoorwerpen en cultureel erfgoe
Geachte mijnheer de minister,
Op 28 september 2007 werd het verzoekschrift tot bescherming van de beroepstitel conservator-restaurateur van kunstvoorwerpen en cultureel erfgoed gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, op basis van de kaderwet van 24 september 2006 betreffende het voeren van de beroepstitel van een dienstverlenend intellectueel beroep (B.S. 16 november 2006). Het verzoekschrift werd ingediend door de “Beroepsvereniging voor Conservators-Restaurateurs van Kunstvoorwerpen VZW”, de “Union Nationale des Professions Libérales et Intellectuelles de Belgique”, en de “Federatie voor Vrije en Intellectuele Beroepen”.
Het beroep Conservator-Restaurateur wordt in dit verzoekschrift als volgt gedefinieerd:
“De Conservator-Restaurateur is een professioneel die de opleiding, de kennis, de bekwaamheden, de ervaring en het begripsvermogen bezit om te kunnen optreden met de bedoeling om het cultureel erfgoed voor de toekomst te bewaren en dit volgens de overwegingen zoals hierna omschreven. De belangrijkste opdracht van de Conservator-Restaurateur is het bewaren van het cultureel erfgoed voor de huidige en toekomstige generaties. De Conservator-Restaurateur draagt bij tot het begrijpen van het cultureel erfgoed met respect voor zijn esthetische en historische betekenis en zijn fysische integriteit. De Conservator-Restaurateur staat in voor het onderzoek en de diagnose, voor de conservatie- en restauratiebehandelingen en voor de documentatie van zijn ingrepen. ”
Het voorstel bepaalt dat voor het dragen van de gereglementeerde beroepstitel van Conservator-Restaurateur enkel volgende personen in aanmerking komen:
1. houders van een diploma van Meester in Conservatie-Restauratie van kunstwerken en/of cultureel erfgoed in één van de lidstaten van de Europese Unie of in een andere Staat die deel uitmaakt van het akkoord over de Economische Europese Ruimte. Het diploma wordt in België uitgereikt door het hoger onderwijs van universitair of gelijkgesteld niveau onder de benaming “Conservatie-Restauratie van kunstwerk en/of cultureel erfgoed” in volgende instellingen:
a) Ecole Nationale Supérieure des Arts Visuels de la Cambre (Brussel) (uitreiking van het diploma van Meester vanaf het academisch jaar 2008-2009)
b) Koninklijke Academie voor Schone Kunsten (Antwerpen) (uitreiking van het diploma van Meester vanaf het academisch jaar 2006-2007)
c) Ecole Supérieure des Arts Saint-Luc (Luik) (uitreiking van het diploma van Meester vanaf het academisch jaar 2007-2008)
2. houders van een diploma in Conservatie-Restauratie van kunstwerken of in Restauratie van kunstwerken aan het hoger onderwijs van het lange type (tweede cyclus).
3. houders van een diploma in Consevatie-Restauratie van kunstwerken en/of cultureel erfgoed, van het lange type in één van de Europese Lidstaten of in een andere Staat die deel uitmaakt van het akkoord over de Economische Europese Ruimte. De diploma’s van Conservators-Restaurateurs behaald buiten de Europese Unie zullen worden geëvalueerd om hun equivalentie te bepalen. Deze bevoegdheid valt onder het gezag van de Gemeenschappen.
Indien de aanvrager van de beroepstitel geen houder is van een dergelijk diploma moet aan de wettelijk aangestelde commissie het formeel bestaan van een beroepspraktijk voorgelegd worden, wat de aanvragen betreft die in de overgangsperiode worden ingediend. Daarbij moet de beroepsactiviteit reeds gedurende zes jaar beoefend zijn, gelijk welk statuut.
Als bijkomende voorwaarden gelden:
- de kandidaat is ingeschreven op de lijst die bedoeld wordt in artikel 3
van de wet van 13 juli 2006
- de kandidaat respecteert de deontologische voorschriften waarin het reglementeringsbesluit van de titel voorziet.
Opmerkingen als belanghebbende
Met dit schrijven wil ik U als belanghebbende mijn schriftelijke opmerkingen desbetreffend meedelen. Ik doe dit omdat de voorbije weken heel wat individuele belanghebbenden mij omtrent dit verzoekschrift contacteerden.
Inzake dit verzoekschrift neem ik volgend standpunt in:
1. Er is nood aan een duidelijke omschrijving, afbakening en kwaliteitscontrole aangaande het beroep ‘Conservator-Restaurateur’. Het is goed dat de organisaties ‘beroepsvereniging voor Consevators-Restaurateurs van Kunstvoorwerpen vzw, de Union Nationale des Professions Libérales et Intellectuelles de la Belgique en de Federatie voor vrije en Intellectuele Beroepen een initiatief terzake namen.
Dat dit zonder breder overleg met de sector gebeurde is echter zeer betreurenswaardig, temeer daar de functie van Conservator-Restaurateur toch wel een van de meest cruciale functies is binnen het erfgoedveld. Voorafgaand vond door de drie indienende partijen van het verzoekschrift geen ruime communicatie, consultatie en overleg over dit voorstel plaats met het werkveld en andere belanghebbende partijen. Ik mocht als minister van Cultuur, toch een niet onbelangrijke rechtstreekse en onrechtstreekse werkgever binnen het erfgoedveld alvast geen enkele informatie in die zin ontvangen.
Het verzoekschrift lijkt dan ook geen afdoende breed draagvlak te hebben. De vele reacties vanuit het werkveld tonen dit aan.
2. Het is het goede recht en zelfs de opdracht van een beroepsvereniging als het BRK-APROA om haar leden een zo goed mogelijke bescherming te willen geven. Vele Conservatoren-Restaurateurs zijn echter niet aangesloten bij deze beroepsvereniging en vallen zo uit de boot. In dit voorstel gaat teveel aandacht naar de bescherming van de eigen leden en te weinig naar het streven naar gara nties voor de kwaliteitsvolle werking van vele Conservator-restaurateurs in het brede werkveld. Dat laatste zou nochtans de hoofdreden moeten zijn voor de overheid om een beroep als Conservator-Restaurateur te beschermen.
3. In het verzoekschrift worden de instellingen die op het huidige moment een diploma van Meester in de Conservatie en Restauratie nominatim opgesomd. Het verdient voorkeur om dat niet te doen omdat de organisatie van dergelijke opleidingen een gemeenschapsbevoegdheid is. Het is dus beter om die opsommingen bij naam te schrappen.
4. Er rijzen ook heel wat vragen bij de overgangsperiode voorzien voor de Conservatoren-Resta urateurs die niet over een van de drie diploma-types beschikken. Praktizerende Conservatoren-Restaurateurs (met minimum 6 jaar werkervaring ) zonder erkend diploma moeten binnen een veel te korte overgangsperiode van zes maanden een aanvraag indienen om hun beroepstitel te verkrijgen. Een wettelijk aangestelde commissie oordeelt over het al dan niet krijgen van de beschermde beroepstitel bij deze Conservatoren-Restaurateurs. Het is echter onduidelijk wie in de commissie zal zetelen.
5. Bovendien vallen praktizerende Conservator-Restaurateurs die niet over het juiste diploma en over minder dan 6 jaar ervaring beschikken, volledig uit de boot.
6. Ten slotte wil ik erop wijzen dat de Vlaamse overheid, in overleg met de Sociaal Economische raad voor Vlaanderen (SERV) gestart is met een denktraject dat verband houdt met dit verzoekschrift. Het betreft het uittekenen van een beroepenstructuur van de erfgoedsector, zowel voor onroerend erfgoed als cultureel erfgoed. Deze beroepenstructuur kan dan als tool gebruikt worden om beroepsprofielen en competentieprofielen op te stellen. Competentieprofielen zijn een afgerond geheel van allerhande competenties die een beroepsbeoefenaar op de werkvloer hanteert om de vooropgestelde resultaten te kunnen bereiken. Duidelijke competentieprofielen maken het mogelijk om de opleidingen af te stemmen op en te toetsen aan de noden van het veld. Deze kwaliteitscriteria kunnen vertaald en geïntegreerd worden in de leerplannen en een evaluatie- en beoordelingsmechanisme zijn voor de bestaande opleidingen.
7. Ook in Nederland is de discussie rond de bescherming van de beroepstitel ‘Conservator-Restaurateur’ aan de gang. In 2005 hebben de vijf bestaande beroepsverenigingen in Nederland zich verenigd tot ‘Restauratoren Nederland’. Dit om een sterker front te vormen en een beroepsbescherming mogelijk te maken. In 1999 is er in opdracht van de Directie Cultureel Erfgoed van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een haalbaarheidsonderzoek gestart naar een verankering van de restauratieopleidingen in het wettelijk kader van het hoger onderwijs. Momenteel wordt er ook in Nederland geijverd naar het opstellen van competentie- en kwalificatieprofielen voor ‘Conservator-Restaurateur’.
Conclusie
Als minister van Cultuur en als belang hebbende acht ik het belangrijk dat de nu opgestarte discussie rond de bescherming van de beroepstitel ‘Conservator-Restaurateur’ verder wordt gevoerd, met aandacht voor de nodige kwaliteitsgaranties.
Het huidige verzoekschrift vormt een belangrijke aanzet daartoe, maar ook niets meer.
Voor alles is een brede bevraging en consultatie van het volledige werkveld vereist. Voor wat Vlaanderen betreft zou dit mee aangepakt kunnen worden via de steunpunten voor cultureel erfgoed.
Ik dring er dan ook ten sterkste op aan om dit verzoekschrift in de huidige vorm te verwerpen.
Met vriendelijke groet,
Bert Anciaux
Vlaams minister
22
Je possède l’Agrégation du IFPME pour la formation d’apprentis & stagiaires en tant que ‘Restaurateur de Meubles Anciens’. Je m’interrroge quant à la valeur qu’aura le certificat d’apprentissage ou de maîtrise à la lumière du projet de loi.
Guy Tunstall 29.11.2007
21
Je refuse l’imposition du diplôme de type universitaire proposé par l’APROA comme unique diplôme valable pour l’exercice légal de la profession, étant moi-même, depuis juin 2004, détentrice d’un diplôme supérieur de type court (3 années) obtenu dans la branche « conservation/restauration d’objets d’art » à l’Ecole Supérieure des Arts Saint-Luc à Liège.
Que prévoit la proposition de loi pour les personnes, qui, ayant terminé leur formation en 2004, sont temporellement dans l’impossibilité de prouver 6 années de pratique professionnelle dans le domaine de la conservation-restauration d’objets d’art et de bien culturels ? Le fait que ce cas de figure n’ait pas été envisagé par les rédacteurs du projet-loi démontre clairement que ceux-ci n’ont pas effectué un sondage assez large du terrain et ne sont donc pas en possession de toutes les informations nécessaires à l’établissement d’une loi visant à régir la profession de conservateur-restaurateur d’objets d’arts et de bien culturels. En outre, je considère aberrant que mon diplôme puisse être purement et simplement annulé.
Célia Deroanne 28.11.2007
20
Het is ronduit lachwekkend te stellen dat een “Masters” diploma ook een goede restaurateur aflevert. Zonder praktijkopleiding/beroepsrevaring kom je er niet. De praktijk bewijst dit.
Julia Guns en Otto Koch 28.11.2007
19
Ik ga akkoord met het principe van erkenning van de titel « restaurator/conservator van kunstvoorwerpen en cultureel erfgoed », maar niet onder de voorlopig voorgestelde vorm. Wel met een verschil/onderscheiding tussen “restaurator-conservator-wetenschapper” en “restaurator-conservator-ambachtsman”.
Ik heb een cursus gevolgd in Syntra West Brugge als “restaurator van schilderijen op geweven dragers”. Daarvoor heb ik op 06.01.2004 een diploma van “ondernemersopleiding: restauratie van schilderijen op geweven dragers” gekregen, verleend door de Vlaamse Gemeenschap van het koninkrijk België. Wat is mijn diploma nog waard?
Ik ben van mening dat het geheel verder moet gediscussieerd worden onder alle betrokken partijen.
Met dank voor uw aandacht,
Murielle Cotteaux 28.11.2007
18
Nous considérons que
1. l’APROA-BRK ne peut pas actuellement représenter valablement l’ensemble des conservateurs et restaurateurs d’œuvres d’art dans cette question.
2. Les détenteurs d’un Master ou d’un Diplôme spécialisé de l’Enseignement supérieur ne devraient pas être les seuls à pouvoir porter le titre protégé de conservateur et restaurateur d’œuvres d’art. Il existe d’autres écoles supérieures comme St-Luc à Tounai, le CREPAC, l’INFAC … qui pourraient faire partie de cette liste.
3. La « commission administrative » telle qu’elle est présentée dans le projet de loi n’offre pas les garanties d’impartialité et de non-discrimination que l’on est en droit d’attendre, sa composition et son mode d fonctionnement n’étant pas précisés. Dans ces conditions, Nous pensons avoir des raisons de craindre certaines dérives partisanes, à savoir la concurrence déloyale, les exclusions arbitraires et la discrimination.
En conclusion, Nous sommes tout à fait opposé à la requête en vue d’un projet de loi sur « La protection du titre de conservateur et restaurateur d’œuvres d’art et de biens culturels ». Mais, nous sommes favorables à une protection de ce titre à la condition qu’ell soit le résultat d’une concertation avec l’ensemble de la communauté concernée.
Nous désirons donc être personnellement informé et invité à toutes les réunions qui travailleraient sur l’élaboration de ce projet de Loi, aux noms de notre société « Splendeur du Bois Sprl » regroupant 3 conservateurs et restaurateurs d’objets d’arts dont deux, on plus de 20 ans d’expérience.
Etienne Scarcez, Dominique de Radiguès, Denis Van Hecke 28.11.2007
17
Als persoonlijke opmerking zou ik hier willen aan toevoegen dat er in verschillende onderwijsinstellingen van dit land ook in het DKO degelijke opleidingen bestaan binnen de afdelingen kunstambachten.
Het zou niet correct zijn indien de hier afgestudeerden na een zes-jarige opleiding met minstens 8u/w praktijkles (waarbij zo veel mogelijk aspecten van de discipline aan bod komen) in de kou worden gezet.
Sophie Troch 28.11.2007
16
Chers collègues,
Effectivement j'ai appris asser tard ce projet de décret abusif concocté par l'APROA.
J'ai eu juste le temps de rédiger cette lettre dont je vous fait part ci-dessous, j'espère être dans la bonne logique de compréhention de notre contestation.
Je suis inquiet de connaitre le résultat de ce projet ridicule.
A bientôt pour d'autre réactions sur ce forum.
Emmanuel Henry de Frahan
Avenue Emile Max, 12
1030 Bruxelles
T.V.A. 559.566.571
Enregistrement 03/20/1/0
Bruxelles, le 27 novembre 2007
A la Ministre des Classes moyennes
A l'attention de M. Desmet-Carlier
Madame le Ministre,
Concerne : requête en vue de la protection du titre professionnel de conservateur-restaurateur d’ oeuvres d’art et de biens culturels
J’ exerce depuis 20 années la profession de restaurateur de meubles anciens, à la suite d’une formation de menuisier-ébéniste complèté par la suite d’une spécialisation en restauration de mobilier ancien. Dans ma pratique professionnelle, j’ai été amené à restaurer à la satisfaction de mes clients des meubles anciens de l’époque Renaissance jusquâ au XX ième siècle (Art Nouveau, Art Déco, etc.). Nombre de ces meubles que j’ai restaurés étaient de grande valeur, dont plusieurs étaient estampillés.
Par ma profession, j’ai été le témoin des activités du club très fermé “154 membres en douze années d’existence“ que constituent les membres de l’ APROA. La requête que cette association a introduite en vue de la protection du titre professionnel de conservateur-restaurateur d’ oeuvres d’art et de biens culturels s’inscrit dans leur volonté de contrôler le marché de la restauration en s’assurant une position privilégiée.
Si cette requète devait aboutir à la protection de ce titre, les artisans indépendants qui ne disposent pas d’une formation supérieure perdraient la reconnaissance dont ils bénéficient actuellement auprès de leur clientèle grâce à la valeur de leur travail. En effet, le conservateur-restaurateur profiterait de son titre protégé légalement pour se présenter à la clientèle en dépréciant la compétence des artisans qui ne peuvent utiliser ce titre protégé. Les conservateurs-restaurateurs deviendraient alors les points de passage obligés entre les clients et les artisans, ces derniers étant réduits à un travail de sous-traitance selon le bon vouloir et les conditions financières imposés par les conservateurs-restaurateurs. Les artisans indépendants perdraient alors leur autonomie et deviendraient donc de faux indépendants.
La requête introduite sur base de la protection des professions intellectuelles prestataires de service pourrait, A premiére vue, ne pas menacer les artisans. Cependant en visant la protection de conservateur-restaurateur en tant que profession intellectuelle, la requête tente de monopoliser l’appellation de restaurateur. La profession intellectuelle décrite dans la requête n’exige pas la maîtrise et la pratique de l’activité manuelle exercée par les artisans connus sous le nom de restaurateurs. Si le titre de conservateur-restaurateur devait être protégé, les personnes autorisées à utiliser ce titre pourraient abuser de cette appellation en laissant croire qu’ils sont des restaurateurs, au sens communément admis de nos jours, et en omettant de préciser que le travail de restauration sera effectué en sous-traitance. Cette situation créerait une confusion au détriment de la clientèle et des artisans “ faux indépendants “ sous-traitants. Cette confusion pourrait être levée en protégeant un titre désignant plus précisément la profession intellectuelle, sans référence à la terminologie propre à une profession artisanale.
En exigeant, dans le cadre des mesures transitoires, la condition d’affiliation à une association professionnelle reconnue, les requérants membres de l’APROA trahissent leur ambition de renforcer par des mesures légales leur pratique de cooptation restrictive de la profession, sachant q’à l’heure actuelle il n’existe pas d’autre association professionnelle reconnue que l’APROA. Je m’oppose donc à ce qu’ un monopole de fait devienne un privilège de droit.
En vous remerciant d’avance de l’accueil que vous réserverez à mes arguments, je vous prie d’agréer, Madame la Ministre, l’expression de ma haute considération.
15
Na kennis te hebben genomen van het wetsontwerp betreffende de bescherming van de beroepstitel van conservator-restaurateur van kunstvoorwerpen en cultureel erfgoed, wens ik hiertegen protest aan te tekenen.
Ik ben van oordeel dat de vereniging ”BRK-APROA” onvoldoende het werkveld van de conservators-restaurateurs van kunstvoorwerpen en cultureel erfgoed in België vertegenwoordigt. Het wetsontwerp legt te sterk de nadruk op de academische opleidingen, en erkent onvoldoende het belang van de praktijkervaring. Uit eigen ervaring weet ik dat pas afgestudeerden van de opleidingen die in het wetsontwerp worden vernoemd, doorgaans nog een belangrijke weg af te leggen hebben om hun kennis én kunde te vervolmaken. Precies omwille van het belang van deze praktijkervaring organiseert het KMMA Tervuren bovendien jaarlijks enkele stages in samenwerking met deze opleidingen.
Het wetsontwerp van de vereniging BRK-APROA staat niet in het teken van het algemeen belang of de optimale zorg voor het patrimonium, maar lijkt eerder ingegeven door protectionisme en het streven naar een zeker monopolie ten voordele van een beperkte minderheid. Het voorstel houdt geen rekening met de honderden actieve conservators-restaurateurs die geen nood hebben aan het lidmaatschap van BRK-APROA om als deskundigen te worden erkend en ingeschakeld in het beheer van en de zorg voor het patrimonium.
Ik verzoek hierbij de leden van forum 28nov2007 mijn bezwaren tegen dit wetsontwerp over te maken aan de bevoegde minister.
Hoogachtend,
Hein Vanhee
Hoofd Afdeling Collectiebeheer
Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, Tervuren, 27.11.2007
14
Jeroen Grillaert (studeerde in 1992 af in de richting restauratietechnieken Hout -Meubel-Ornament aan de Hogere Rijksschool (nu Academie) voor Beeldende Kunsten Anderlecht , liep o.a. stage bij Ray Gonzales (huisrestaurateur hout voor hetV&A museum) geeft sinds 1996 les in Houtsculptuur en Restauratietechnieken Hout in de avondleergangen van het PCVO Meetjesland .)
De argumenten van de collega's tegen dit wetsvoorstel spreken voor zich .Ook ik ben voorstander van een degelijke reglementering van het beroep , maar ik zal mij met hand en tand verzetten tegen de feitelijke monopolisering van de opleiding door drie scholen en een (voornamelijk theoretische)universiteitsopleiding , laat staan de toekenning van de titel door een schimmige commissie .
Ik ben er me van bewust dat de modale restaurateur een individualist is en zich niet snel zal binden aan een vereniging , maar dit wetsvoorstel is een bedreiging voor de hele sector . De kennis die wij bewaard en verworven hebben door jaren ervaring en hard werken , elk in onze eigen specialisatie , is te waardevol om verloren te laten gaan door een ondoordacht wetsvoorstel .Laat dit forum een stem worden voor iedereen met een hart voor het ambacht.
jeroen.grillaert, 26.11.2007
13
- door enkel de mensen uit deze scholen toe te laten ontstaat er een nog groter tekort aan restaurateus; met gevolg een prijsstijging voor de private klant
- dit vootstel is een minachting voor de beroepservaring van de profesionelen die reeds jaren bezig zijn
- bespaar ons nog een vereniging waarvoor we terug een financiële bijdrage moeten storten. dit toch maar om enkele bureaucraten aan een bureau te plaatsen.
Het beste met de aktie.
Dewulf Rudy, zelfstandig meubelmaker,restaurateur, houtsnijder seder 22 jaar lesgever houtsnijden en beeldhouwen aan het CVO roeselare, 26.11.2007
12
Twee Franstalige scholen en één Vlaamse dagschool in Antwerpen. Dit zou het enig 'erkend' onderwijs zijn volgens het verzoekschrift. Maar wat met b.v. het volwassenonderwijs in Anderlecht e.a.? Als men naar een school gaat die erkend is door de Vlaamse Gemeenschap dan veronderstelt men als leerling dat de afgeleverde documenten, waarvoor men toch zes jaar heeft gestudeerd ook erkend worden.
Sonja.pedersen, 26.11.2007
11
Als houder van een diploma 'Meester in de conservatie/restauratie' behaald in 2001, en zaakvoeder van mijn eigen restauratie-atelier sinds 2006, wilde ik graag het volgende opmerken:
- Net zoals bij zovele andere beroepen, kan het behalen van een diploma uiteraard niet gelijkgesteld worden met het hebben van voldoende ervaring cq de juiste competenties.
Het is wel zo dat men tijdens een dergelijke opleiding een bepaalde werkmethodiek en ethiek meekrijgt, van waaruit men zelfstandig verder kan werken. Er zullen bijkomende eisen gesteld moeten worden naast het hebben van een diploma om erkend te kunnen worden.
- Er moet nu eenmaal een erkenning komen, want alle goede bedoelingen ten spijt, word ik bijna dagelijks geconfronteerd met amateuristisch 'gerestaureerde' objecten; het kaf moet van het koren verwijderd worden zodat er op de markt bv van eerlijke concurrentie sprake kan zijn en ons erfgoed adequaat berschermd kan worden ipv 'professioneel' naar de vaantjes geholpen wordt.
- Dat ons vak wordt ingedeeld in 'hoofdzakelijk intellectueel en dienstverlenend', komt onze verloning alleen maar ten goede. Het is nu eenmaal een apart vak, en een chirurg bv heeft naast zijn hoofd toch zeker ook z'n handen nodig??
- Het gaat hier nog om een wetsvoorstel. Ten eerste hebben we bij mijn weten nog steeds geen regering, en ten tweede krijgen alle partijen nu de kans om op een constructieve manier hiermee om te gaan. In het wilde weg rondschoppen haalt niets uit, kan zelfs gaan tegenwerken.
Er zullen dus bijkomende eisen gesteld moeten worden zodat niet enkel het diploma maar ook ervaring en geleverde kwaliteit meespelen om erkend te worden. Een dergelijke situatie wordt ook Nederland gehanteerd, wanneer men zich wil laten erkennen door Restauratoren Nederland. Het moeten indienen van dossiers en voorleggen van ervaring schrikt uiteraard af in eerste instantie, maar ook dat is dus een middel om charlatans te weren.
Er zal sowieso ook wel een overgangsperiode worden ingelast, zodat mensen in de huidige situatie die niet meteen voldoen aan de diploma-eisen, via bv bewezen ervaring, kennis en kunde alsnog erkend kunnen worden.
Misschien is een onderverdeling in competenties een optie, zoals al eerder hier op 't forum aangegeven.
Een dergelijke discussie loopt momenteel in verschillende vakgebieden van de Nederlandse archeologie, waar bv de veldtechnici en amateur-archeologen opeens iets dergelijks meemaakten, en geloof me, de soep wordt nooit zo heet gegeten als ie wordt opgediend (om te eindigen met een Nederlandse noot ;-)).
Met vriendelijke groet,
Katleen Vandenbranden,
Restaurator archeologie Gemeente Maastricht (Nl) & zaakvoerder Archefact (B). 26.11.2007
10
Wij zijn één van de oudste glazenierateliers in Vlaanderen met nog originele roots in de neogotische traditie. Wij hebben ervaring zowel op het vlak van restauratie als nieuw werk. De opleiding tot een bekwaam ambachtsman wordt bij ons op authentieke wijze in het atelier gegeven dmv kennisoverdracht van de oudere generaties op de jongere. Hoewel wij geen mensen met een hoger diploma restauratie en conservatie in huis hebben, plegen wij graag overleg met bevriende “Conservators-Restaurateurs” en volgen wij ook de ethische codes die worden voorgedragen.
Wat betreft het verzoekschrift:
Ook ons verontrust de non-communicatie omtrent het verzoekschrift vanuit de aanvragers zelf. Er is geen woord over gezegd tijdens het congres dat plaatsvond op 22-23 november 2007. Was het de bedoeling dit te laten gebeuren zonder dat de mensen die het aanbelangt ervan op de hoogte te brengen? Dit zou jammer zijn. Ook als “niet-opgeleiden” volgen wij de visie van het KIK en het BRK zo goed als mogelijk en schatten wij hun waarde hoog in, maar door dit feit heeft hun geloofwaardigheid als neutrale, eerlijke en open beroepsvereniging toch wel een flinke deuk gekregen.
We hebben de tijd niet gekregen om uitgebreid te reageren, maar wij kunnen het toch niet laten enkele vragen en bemerkingen te verwoorden:
o “De professionele activiteiten van de conservator-restaurateur zijn verschillend van de artistieke of ambachtelijke beroepen. één van de essentiële criteria voor dit verschil, is dat de conservator-restaurateur geen nieuwe culturele objecten creëert”. Betekent dit dat het restaureren-conserveren niet mag/kan samengaan met artistiek werk? En waarom zou dat? Is het niet noodzakelijk dat een uitvoerend restaurateur van kunstobjecten en cultureel erfgoed ook in staat is om lacunes in te vullen van een dergelijke hoogstaande ambachtelijke en artistieke kwaliteit dat het verschil met het origineel nauwelijks is te zien. Hierbij is niet gezegd dat dit ook steevast dient te gebeuren! Het is inderdaad een ethische en intellectuele discussie hoe gerestaureerd wordt. Maar de keuze voor conservatie of een minimale restauratie in plaats van doorgedreven restauratie moet een bewuste, eerlijke, ethische/intellectuele keuze zijn en niet het gevolg van het gebrek aan ambachtelijke kennis en kunde. Het gevaar dat de ambachtelijke kennis verloren gaat dreigt echter wel indien er een te grote nadruk wordt gelegd op het intellectuele aspect van het beroep ten koste van de ambachtelijke kennis. Beide zouden gelijkwaardig hand in hand moeten gaan. Aangezien het fysische behoud van materiaal belangrijk is en vaak minimaal wordt gerestaureerd of wordt geconserveerd, is het vaak een economische noodzaak voor zelfstandigen en ateliers om restauratiewerk aan te vullen met artistiek werk. Volgens onze ervaring en inzicht kan het één het ander alleen maar aanvullen.
o “De ambachtsmensen en kunstenaars kunnen aanzienlijk bijdragen tot ontdekkingen en kennis van de conservators-restaurateurs”. Ten eerste vind ik deze regel nogal beledigend naar de technische beroepen toe. Alsof ons enige doel het aanvullen van de kennis van de intellectuele restaurateurs mag zijn. En bovendien, vrees ik dat de kans bestaat dat als het verzoekschrift in deze vorm wordt doorgevoerd, er binnen enkele jaren niet veel ambachtsmensen meer zullen overschieten. Is dat zo goed voor ons cultureel erfgoed?
o Er wordt hier gesproken over erkenningen en titels voor personen. Maar wat voor een atelier? Kan ook een atelier een erkenning verwerven?
o Er staat letterlijk in dat “Op basis van het behalen van een diploma vermeld in punt 2.7. geen beroepspraktijk is vereist”. Dit kan toch niet. Waar gaan we naartoe als pas afgestudeerden zonder echte kennis van zaken de les kunnen spellen aan mensen met jaren ervaring?! Dat is toch absurd. Zelfs een vooronderzoek kan niet terdege worden uitgevoerd zonder de gevoeligheden van het ambacht te kennen.
Dit zijn slechts enkele eerste vluchtige bedenkingen bij dit verzoekschrift. Deze tekst is, naar onze mening, ongelukkig en te vaag opgesteld en ook over enkele inhoudelijke punten zouden wij graag nog een woordje zeggen. Maar de bedoeling om het beroep te beschermen en te erkennen kunnen wij uiteraard alleen maar toejuichen!
Wij vinden het uitermate jammer om op die manier te worden gedwongen in een oppositierol. Veel liever hadden wij mee aan de onderhandelingstafel gezeten. Want wij appreciëren de goede bedoelingen gestuurd vanuit intellectuele hoek. Wij hebben echter vaak de indruk dat zij de onze te weinig waarderen. De meeste ambachtsmensen durven hun mening niet luidop te uiten, uit schrik nog meer dan nu, te worden geweigerd voor openbare opdrachten. Dit heeft nog weinig weg van een democratie. Wij betreuren dit ten sterkste. Wij hopen dat deze reactie als een positief signaal gelezen wordt en niet als een aanval. Een signaal dat veel meer vakmensen mee willen werken aan een goed beleid dat ons cultureel erfgoed koestert. Wij hopen dat dit het begin kan zijn van een eerlijk open gesprek.
Het team Mestdagh, 26.11.2007
9
Chère collègue,
J`ai pris connaissance de votre adresse électronique que j`ai trouvée dans le « forum » et je voudrais à travers ces mots réagir concernant le « formulaire de réponse forum28nov2007 ». Et même apporter mon soutien à cette démarche, bien que j`en aie pris connaissance trop tard…
D`abord toutes mes félicitations à ceux et celles qui se sont donné la peine, dans ce bref délais, de tenter le combat !
Il va de soi que l`initiative était bien fondée cependant, ma première réaction est d`exprimer le regret pour le manque de coordination de la part de ceux, qui les premiers à être informés n`ont pas transmis plutôt la circulaire.
Quand l`on veut atteindre un but commun il faut se placer au-dessus de tout intérêt personnel du contraire on arrive au cliché habituel c`est à dire, dans un pays ou l`union fait la "farce " nous voilà obligés à faire chacun pour soi.
Avec mes sentiments le plus respectueux.
A bientôt.
Marie Mones, 26.11.2007
8
Als afgestudeerde van de opleiding papierrestauratie bij Syntra West en werkzaam als papierrestaurator bij het ministerie van Cultuur, Jeugd, Sport en Media, agentschap Kunsten en Erfgoed afdeling Erfgoed wil ik hiermede protest aantekenen tegen het bovenvermeld verzoekschrift .
Indien dit voorstel zonder meer aanvaard wordt, heb ik niet meer het recht om dit beroep uit te oefenen.
Op het getuigschrift, afgeleverd door Syntra West v.z.w.,staat, onder de hoofding van Koninkrijk België, Vlaamse Gemeenschap : erkend centrum voor Vorming van Zelfstandigen en Kleine en Middelgrote Ondernemingen, en Het Vlaams Instituut voor Zelfstandig Ondernemen (VIZO). Dit stuk geldt als getuigschrift inzake beroepskennis voor het beroep van restaurateur van papier.
Het niveau van onze opleiding wordt nu als onvoldoende beschouwd.
Ik ben voorstander van een regeling van het beroep maar wel na overleg met alle betrokken partijen, en mits regularisatie van de mensen die reeds professioneel actief zijn en/of reeds erkend opleiding gevolgd hebben.
Zou het geen oplossing kunnen zijn dat de " meesters" gewoon de titel conservator-restauror meester aannemen ? en de andere , in het verleden erkende opleidingen restaurator-conservator zonder meer zouden hanteren tot er een definitieve waardenschaal voor de opleidingen wordt vastgelegd.
In het belang van het behoud van ons erfgoed, hoop ik dat er een eerlijk en open debat komt zodat iedereen die er zich wil voor inzetten, daar de mogelijkheid toe krijgt.
Nina borgonjon, 25.11.2007
7
Begin 2003 werd ons restauratieatelier voor schilderijen : Atelier Amber,opgericht.
Mijn echtgenote,Danielle Depoortere heeft een negenjarige opleiding in de Academie van Leuven gevolgd, ze specialiseerde zich in verschillende schilderstechnieken, olieverf,acryl, aquarel en mixed media.Gevolgd door een bijkomende 5-jarige opleiding in de Academie van Anderlecht,restauratie van schilderijen en digitale beeldverwerking.
Ikzelf bezit een doctoraat in de wetenschappen,KULeuven
Het atelier voert ondertussen met grote vakkennis opdrachten uit voor partikulieren, kerkfabrieken en de VLaamse Gemeenschap.
Er werden de afgelopen jaren, met het oog op het verder uitbouwen van een professioneel restauratieatelier, belangrijke investeringen gedaan naar materieel en inrichting toe.
Mocht dit wetsvoorstel als dusdanig aanvaard worden, dan wordt dit alles gewoon van de kaart geveegd.Van vandaag op morgen kan men zijn beroep niet meer uitoefenen omdat men niet in de juiste(?)school zijn opleiding heeft gevolgd of niet tot de juiste(?) beroepsvereniging behoort.Alle opgedane ervaring en vakkennis heeft blijkbaar geen belang.Dit kan beschouwd worden als een zuivere vorm van broodroof.
Ijveren voor de erkenning van het beroep is zonder meer goed en noodzakelijk.Het wetsvoorstel als dusdanig is echter onaanvaardbaar, aangezien het te eng is en in grote mate discriminerend voor het overgrote deel van de opleidingen en de uitvoerende conservatoren-restoratoren.
Het voorstel is zonder overleg tot stand gekomen en zonder enige vorm van communicatie ter goedkeuring voorgelegd. Onbegrijpelijk dat dit kan.
Dit wetsvoorstel dient teruggeroepen te worden.
We stellen voor om een overlegplatform te creëren waarin alle opleidingscentra,alle beroepsverenigingen en een vertegenwoordiging van uitvoerende conservators-restorators alsook de opdrachtgevers vertegenwoordigd zijn. Kortom iedereen die betrokken is bij de conservatie van ons erfgoed.
Verder is het belangrijk eerst werk te maken van een duidelijk beroepsprofiel om daarna een eenvormige opleiding mogelijk te maken.Hierna kan pas worden overgegaan tot een erkenning van het beroep.
Jacques Van looy 25.11.2007
6
In 2006 ben ik afgestudeerd als conservator/restorator van boek en papier aan de Academie van Antwerpen. Sinds december 2006 werk ik als restorator in een klein restoratiebedrijf, maar ben mij er erg van bewust dat ik zeker nog niet de nodige kennis en handvaardigheid heb. Deze kan men enkel en alleen opdoen door ervaring, en niet door het verkrijgen van een erkend diploma. Een ervaring die talloze restoratoren WEL hebben, maar daarvoor niet noodzakelijk de gevraagde opleiding genoten hebben. Ik wil mij bij deze achter diegene scharen die zogenaamd buiten de boot vallen. Er moet een aanvaardbare oplossing gezocht worden, zodat ook deze restoratoren erkend kunnen worden.
Marjan De Block 24.11.2007
conservator/restorator boek en papier
St. Kathelijnestraat 6 2850 Boom
5
Kunnen hogescholen de secundaire scholen zomaar aan de kant schuiven?
John Dumarey is leraar Restauratie van Meubelen aan het VTI in Brugge. Al meer dan 15 jaar geeft hij les aan een 7de specialisatiejaar.
“Een 100-tal van mijn leerlingen behaalden nu reeds het diploma van secundair onderwijs in de specialiteit Restauratie van Meubelen. Daarmee kunnen ze terecht in een Restauratieatelier of er een beginnen op zelfstandige basis. Onlangs vernam ik dat er plannen zijn om de beroepstitel van conservator-restaurateur van kunstvoorwerpen en cultureel erfgoed te beschermen. Meer bepaald in het Belgisch Staatsblad van 28 september 2007 stond de bekendmaking van een verzoekschrift hieromtrent. Een goede zaak … dacht ik! Lezing van dat verzoekschrift leert mij dat niet enkel mijn leerlingen, maar ook die uit andere specialisaties restauratie (in andere scholen in de richtingen restauratie-schilderen, bouw, schrijnwerk enz.) de naam van restaurateur (en afgeleiden, afkortingen en associaties) niet meer zouden mogen dragen. Want ze hebben geen Master-diploma. Dit roept in de eerste plaats vragen op: Kan dit zomaar? en Welke waarde heeft het diploma van die richtingen in het secundair onderwijs dan nog? Als aan dit verzoekschrift een gevolg gegeven wordt, studeert deze groep leerlingen enkel nog voor een diploma… zonder waarde! Kunnen hogescholen de secundaire zomaar aan de kant schuiven?”
john dumarey 24/11/07
4
Een eerste korte bedenking die ik wil formuleren bij deze protestactie tegen het éénzijdig indienen van een verzoekschrift tot bescherming van de beroepstitel van conservator-restaurateur van kunstvoorwerpen en cultureel erfgoed situeert zich rond de masteropleiding in conservatie-restauratie als toetssteen voor het toekennen van de titel van restaurateur.
Dat het beroep van restaurateur nood heeft aan professionalisering en een wettelijk kader met bescherming van de titel « restaurateur » hoeft geen betoog. Daar is iedereen het over eens.
Het is een vrij jong beroep, waar, althans in België, de huidige eerste generatie academische docenten hun “weten” en “kunnen” doorgeven aan hun studenten vanuit “kennis” en “vaardigheid” die ze goedschiks, kwaadschiks bij elkaar gesprokkeld hebben.
Voor deze kennis wordt er in het beste geval geput uit eigen genoten academische opleidingen die slechts een deelaspect zijn van wat het onderwijs in conservatie en restauratie van erfgoed zou moeten zijn. Het gaat hier om menswetenschappelijke kennis (geschiedenis, kunstgeschiedenis,
antropologie….) en om exact wetenschappelijke kennis (scheikunde, biologie,
fysica….)
Een degelijke inventarisatie van deze te beheersen leerstof is er voor zover ik weet niet of toch onvoldoende opgesteld: dit in tegenstelling met wat beweerd wordt in punt 2.2.1 van het verzoekschrift, namelijk de verwijzing naar de definitie van het beroep opgegeven door E.C.C.O. en ENCoRE die het slechts over gemeenschappelijke principes voor de opleiding van conservators-restaurateurs heeft.
De “vakkunde”, de vaardigheid van de restaurateur in spe is iets dat moet verworven en getraind worden onder het toeziend oog van deze docenten.
Hierbij stel ik mij de vraag of de tijdspanne van een masteropleiding wel voldoende mogelijkheden biedt om deze vakkunde, deze expertise op te bouwen.
De ervaring leert dat dit niet zo is: het opdoen van kennis en het zich eigen maken van zowel handvaardigheden als het vermogen om te reflecteren over de zinvolheid van conservatie- of restauratie-ingrepen is veel te kort.
In punt 2.9 van het verzoekschrift wordt er zelfs gesteld dat gezien punt
2.7 geen beroepspraktijk vereist is!!!!!
De deontologie van het beroep laten we binnen deze context dan nog maar even buiten beschouwing.
Resumerend kan men stellen dat er geen consensus bestaat over de normen waaraan een “professionele restaurateur” moet kunnen beantwoorden. Kortom er is geen beroepsprofiel opgesteld: een beroepsprofiel dat de basisvereisten van kennis en vaardigheden vastlegt waaraan een professionele restaurateur moet beantwoorden.
Volgens mij kan er dan ook maar pas een behoorlijk onderwijsplan uitgestippeld worden.
Een tweede bedenking gaat over het feit dat de BRK/APROA in zijn normering voor het beroep van restaurateur voorbij gaat aan de realiteiten van het bredere veld van erfgoedbeheer waaronder bijvoorbeeld de musea, waar toch ook tal van restaurateurs in dienstverband aan het werk zijn.
De kennis en expertise om professioneel om te gaan met verzamelingen van museumobjecten wordt niet echt “academisch” onderwezen, deze materie is nog veel te “jong”.
Voor deelaspecten doet men weliswaar beroep op permanente vorming, buitenlandse expertise en onderwijs, zelfstudie.
Nochtans is een goede beheersing van kennis, expertise en vaardigheid voor het professioneel bewaren van erfgoed van primordiaal belang, zoniet de basis voor één van de hoofdopdrachten van musea: het professioneel bewaren van ons erfgoed zodat het kan overgedragen worden aan de volgende generaties.
Dat de BRK/APROA dit werkgebied voor restauratoren niet ten volle in overweging neemt getuigt van een schromelijke onderschatting van ons beroep.
Françoise Therry 24.11/2007
Restaurator, Koninklijk Museum voor Midden-Afrika
3
In mijn hoedanigheid van algemeen directeur - emeritus van ICCROM ben ik ruim betrokken geweest bij de discussie over hetr profiel van het beroep conservator - restaurator. Wij hebben vanuit onze IGO intens samengewerkt met het Comité de Conservation van ICOM. Wij hadden operationele contacten met ECCO , Iccrom zat de vergadering in Wenen voor en we waren betrokken in de beroepsidentificatie van Icom in Kopenhagen betr. de definitie van het beroep.
Toch enkele bemerkingen.
1. Ik mis in de beschrijving van de diagnose de grondige studie van de historische uitvoeringsmlethoden die zo belangrijk geacht worden en bij de beschrijving van de behandelingen enkele principes als de minimale interventie , de reversibiliteit, zeker de vergelijking van de verschillende mogelijke behandelingsmethoden en hun impact op de objecten en de gemotiveerde beslissing. Die zijn uiteraard in de guidelines voor de werkmethoden opgenomen. Men kan die extra in de verf zetten of de verwijzen naar de internationale werkmethoden en standards in de passages die in de tekst vermeld staan.
2. In al de discussies van toen werd duidelijk de interdisciplinaire aanpak; de geintegreerde samenwerking van de wetenschapper, de conservator-restaurator en de historische wetenschappen onderstreept. Dit ligt verscholen in de teksten en dient in de uitvoeringsmodaliteiten benaderukt te worden. Ik mis de verwijzing naar deze geintegreerde aanpak.
3. Ik mis bij de equivalentie van de diploma's de principes en criteria volgens dewelke deze vergelijking zal geschieden. De opleidingen kunnen verschillen in Europâ en de vraag is bijgevolg op welke basis men equivalenties gaat vaststellen. Ik ben te lang uit die discussie verwijderd om een volledig overzicht te hebben over wat hiervoor ter beschikking is op
Europees niveau. Deze beslissingen hebben te maken met andere punten die volgen.
4. Ecco en andere organisaties werken voornamelijk op roerend erfgoed en enkele aspecten van onroerend erfgoed. In de teksten staat "cultureel erfgoed" vermeld wat laat veronderstellen dat het gaat om alle mogelijke interpretaties van het begrip, dat de laatste jaren nogal wat evolutie heeft gekend. Ondertussen zijn er opleidingen restauratieambacht in Europa die historische architectuur als onderwerp hebben. Hoe wordt een link gelegd met
deze beroepen ( Europees centrum San Servolo in Venetie , het Europees centrum restauratieambacht en andere. en ook de opleidingen monumentenzorg architectuur...) of moeten we aannemen dat de wetgeving gaat om roerend erfgoed en onroerend erfgoed door bestemming? Vraag dus tot hoever reikt dit decreet.
5. De automatische koppeling van de beschermde beroepstitel aan de opleiding is een denkfout; Niet het op zak diploma maar de beroepspraktijk ( methoden en deontologie) maken een conservator- restaurator een goed professioneel. Het gaat dus in feite om een evaluatie op termijn van de beoepspraktijk die ter discussie staat niet de opleiding alleen, die er de basis voor geeft. Hier stellen zich enkel problemen: Wie beoordelt op welke basis en met welke criteria?; Gaat men hier een lidmaatschap verplichten ( zoals het in dewettekst gesteld wordt ) van een beroepsvereniging als de verenigingen van dokters en advocaten met het risico van de onverzoenbaarheid van belangen dat zich in deze omgevingen wel eens voordoet. Hoe maakt men m a w een onafhankelijk organisme dat de praktijk van de uitvoerders op termijn evalueert. U wordt bovendien geconfronteerd met het probleem van de administratie van de aanbestedingen, waar de goedkoopste inzending het haalt
zonder dat er altijd rekening gehouden wordt met de nodige (wetenschappelijkle) werkomschrijving in de offertes en de finaciele beperkingen van de opdrachtgever. Dus hier is de boodschap dat niet het behaalde diploma maar de praktijk op termijn de basis is voor erkenning en de instelling die op oordeelkundige en autoritatieve manier deze beoordelingen maakt.
6. Tenslotte nog de opleidingen zelf. Deze kunnen verschillen in de verschillende opleidingen in Europa in details, in accenten en in filosofie. Belangrijk blijft dat de curricula de internationale verworvenheden opnemen en ook overdragen. De opleidingen zelf zouden een platform voor zelfevaluatie moeten opzetten met minimale aandachtspunten voor "updating" van de verstrekte informatie. Dat is een delicaat punt maar moet bespreekbaar zijn in het kader van het decreet. Hoe kan men immers een titel toekennen aan een beroep dat op een verschillende manier onderwezen is in Europese context. Dit heeft te maken met het eerder aangehaalde punt van de equivalentie van de diploma's in Europese context. Gezien de beperktheid in tijd heb ik niet de gelegenheid gehad de curricula van de verschillende opleidingen te bestuderen. Er zijn in ICCROM en ICOM CC ooit dergelijke vergelijkingen geweest. het lijkt me nuttig deze even onder de loupe te nemen.
M. Laenen, 24.11.2007
2
Ik heb gedurende vijf jaar een opleiding gevolgd aan Syntra in Tongeren: restauratie van schilderijen op doek en andere dragers, keramische materialen en fysische onderzoeksmethoden en daarvoor ook het diploma behaald. Deze studie, samen met een grote inzet, veel oefening en constante zelfstudie hebben geresulteerd tot een praktijk die ik sinds 2001 zelfstandig en met toenemend succes uitoefen. Daarmee wil ik zeggen: ik heb
een groot klantenbestand waarbij mensen soms van zeer ver komen (Amsterdam, Den Haag) en ik heb ook al verschillende opdrachten voor de overheid, kerkfabrieken, kloosters,.. uitgevoerd. Ik denk dat ik deze opdrachten deskundig en goed heb uitgevoerd want ik wordt geregeld door dezelfde instelling opnieuw gevraagd. Voor deze opleiding heb ik aan de academie in Leuven schilderkunst en ook kunstgeschiedenis gevolgd. Uit persoonlijke interesse weet ik veel over christelijke iconografie ( ik ben één van de medeauteurs van o.a. de boeken Sanctus, Sancti en Sanctorum, uitgegeven bij het Davidsfonds).
Het restaureren doe ik met zeer veel liefde voor het vak en ik ben mij ten volle bewust van de grote verantwoordelijk die je draagt ten opzichte van het cultureel erfgoed. Daarom besteed ik zeer veel aandacht en tijd aan een degelijk vooronderzoek, het opmaken van goed onderbouwde offertes en restauratieverslagen en uiteraard aan een deskundig uitgevoerde en doordachte conservatie en restauratie. Ik houd mij ook altijd strikt aan de deontologische regels betreffende reversibiliteit, e.a.
De investering om het beroep aan te leren en uit te oefenen is zeer groot geweest en daarmee bedoel ik zowel wat tijd en inzet betreft als financieel. Een degelijke infrastructuur: werkruimte, onderzoeksapparatuur (microscopen, U.V. lamp,. ) professionele afzuiginstallatie en materialen kosten zeer veel geld. Ik heb dat dan ook gedaan in de volle overtuiging dat het behaalde diploma mij de mogelijkheid bood, het beroep in al zijn aspecten uit te oefenen. Ik begrijp trouwens niet goed hoe het kan dat een studie aan een, door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerde instelling en een diploma uitgereikt door de Vlaamse Gemeenschap, nadien zomaar kan worden onder tafel geveegd.
Over de opleiding in Syntra ben ik persoonlijk van mening dat daar wel alle elementen (theoretische kennis, scheikunde, onderzoeksmethoden,.) worden aangereikt, maar dat je er niet komt zonder bijkomende zelfstudie en zeer veel praktijkoefening thuis. Ik ben wel altijd in de mogelijkheid geweest deze zaken voor te leggen en bijkomende uitleg te vragen en ik ben zeer tevreden over de begeleiding die heb gekregen.
In principe sta ik achter de erkenning van de beroepstitel, maar ik ben verontwaardigd over de idee dat bekwame, gewetensvolle restaurateurs enkel in de betreffende academies zouden worden gevormd. Ik denk dat er zich heel wat mensen in mijn situatie bevinden en ik hoop dan ook dat het betreffende wetsvoorstel wordt herzien. Ik denk ook dat de overheid zich ervan moet bewust zijn dat dit voor de betrokkenen, niet alleen een financiële maar ook een menselijke ramp zou betekenen.
Kathy Vincke, 24.11.2007
1
Een beroepstitel is nodig, voor zowel restauratoren die op zelfstandige basis werken, als deze die in dienstverband werken. Een onderscheid moet hier niet worden gemaakt, want het zijn de competenties, zowel intellectuele als uitvoerende, die van belang zijn.
- Het kan niet zijn dat enkel op basis van een diploma een titel wordt verworven. Ikzelf heb een diploma dat in aanmerking komt, maar net na voltooiing van mijn studie zou ik me niet een volwaardig restaurator noemen, omdat naast voldoende ruime kennis vooral ook ervaring me ontbrak. Belangrijk is dat de bestaande opleidingen worden doorgelicht. Bieden de opleidingen voldoende datgene wat in hun curriculum staat en is het curriculum voldoende dekkend voor uitoefening van het beroep van restaurator? Beroepspraktijk is uitermate belangrijk.
- Men moet vrij zijn in de keuze zich aan te sluiten bij een beroepsvereniging. Een beroepsvereniging moet een luisterend oor zijn, moet communicatief zijn, moet ook doelen nastreven en moet dus ook meewerken aan het belang om dit beroep te beschermen. Maar, het kan/mag niet zo zijn dat een beroepsvereniging, waar slechte een zeer klein percentage van de restauratoren bij is aangesloten, zonder enige vorm van communicatie naar
buiten toe, een aanvraag tot bescherming van een beroepstitel indient. Dit is niet de mening van iedereen.
- Ik ben van mening dat het wetsvoorstel incorrect en ontijdig wordt ingediend, nu de vereniging Restauratoren Nederland (de grootste beroepsvereniging van Nederland en een zustervereniging van BRK-APROA) een project heeft lopen dat Beroeps- en Competentieprofielen van beroepen in ons werkveld definieert, waaronder het beroep van 'Conservator-Restaurator'. Dit project wordt uitgevoerd met beroepsbeoefenaars in Vlaanderen en Nederland, met subsidie van het Cultureel Verdrag Nederland Vlaanderen. Een duidelijk beroepsprofiel is nodig alvorens een bescherming van een titel (beroep) aan
te vragen. Opleiding is in het project van Restauratoren Nederland tot op heden nog niet aan bod gekomen. De competenties zijn dat wat men tot restaurator maakt, niet de gevolgde opleiding. Het profiel 'conservator-restaurator' wordt in meerdere fasen getoetst bij personen werkzaam in het werkveld, geëvalueerd, bijgestuurd, bevraagd,.. Dit is een
onderzoek dat opbouwend is, bevraagd wordt. Een duidelijk beroepsprofiel is nodig om opleidingen aan te toetsen, om een titel aan te toetsen en niet andersom of anders gelinkt.
Elke Van Herck, 24.11.2007













Samenvatting antwoordformulieren