Waarom geen communicatie voorafgaand aan de publicatie in het Belgisch Staatsblad en waarom geen voorafgaand overleg?
De aanvragers en het Ministerie hebben de wettelijke plichten aangaande publicatie gerespecteerd door dit verzoekschrift te laten publiceren in het Belgisch Staatsblad. Desalnietemin zijn ze op de hoogte dat een grote meerderheid van conservators-restaurateurs onafhankelijk zijn en niet aangesloten bij een professionele organisatie, bovendien is het Staatsblad voor hen geen vakliteratuur. De meesten onder hen hebben slechts enkele dagen voor het verstrijken van de indieningstermijn voor bezwaarschriften kennis genomen van het verzoekschrift tot wetsontwerp. Ze zijn uiterst verbaasd over het gebrek aan communicatie rond dit verzoekschrift tot wetsontwerp dat zo belangrijk is voor hun toekomstige professionele activiteit.
Sommige conservators-restaurateurs vrezen dat op deze manier enkel een minderheid van professionelen een dominante positie wil verwerven in de beroepssector met alle voordelen die hieruit voortvloeien.
Wat stelt de vereninging BRK-APROA voor, de eerste aanvrager van het verzoekschrift tot wetsontwerp?
BRK-APROA telt ongeveer 140 leden, een minderheid van de conservators-restaurateurs tewerkgesteld in het domein in België, nl. ongeveer 560. Onze sector telt verder één vzw ARA en één feitelijke vereniging Restauratieforum. Waarom eigent die eerste vereniging zich het recht toe de ganse sector te vertegenwoordigen daar waar ze slechts staat voor een beperkt deel van het beroepsveld, nl. haar leden?
Tot slot is het een publiek geheim dat de grote meerderheid van conservators-restaurateurs onafhankelijk zijn en dus niet aangesloten bij een professionele organisatie.
BRK-APROA vertegenwoordigt dus zeker niet de volledige gemeenschap van conservators-restaurateurs in België.
Waar staat de Ferderatie voor Intellectuele en Vrije Beroepen voor, de tweede aanvrager van het verzoekschrift tot wetsontwerp?
De conservators-restaurateurs van kunstwerken kennen deze afdeling van Unizo niet voldoende en vinden daarom dat de Federatie hen niet waardig kan vertegenwoordigen.
Is het noodzakelijk om het beroep van conservator-restaurateur bij het ministerie van Middenstand louter en alleen te erkennen onder de titel van ‘hoofdzakelijk dienstverlenend intellectueel beroep’?
Conservator-restaurateurs van kunstwerken oordelen doorgaans dat hun beroep ontegensprekelijk intellectuele én handvaardige capaciteiten verenigt. Dit beroep louter voorstellen in het kader van een hoofdzakelijk dienstverlenend intellectueel beroep (zoals auteurs, advocaten, dokters enz. volgens de wettelijke schikkingen in de kaderwet 24 september 2006 hfdst. I, art. 2; volledige tekst zie link hieronder) verdraait dit beroep dat net gekarakteriseerd wordt door de complementariteit van de intellectuele en handvaardige aspecten. De al te grote intellectualisering van het beroep ontwaardt en ontkent het belang van de technische en ervaringsgerichte vaardigheden nodig om een kwaliteitsvolle conservatie-restauratie van kunstwerken te kunnen leveren.
Waarom zullen in de toekomst enkel de houders van een Master diploma of van een gespecialiseerd diploma van het Hoger Onderwijs van het lange type wettelijk bevoegd zijn om de titel te dragen van conservator-restaurateur van kunstwerken?
Het spreekt vanzelf dat er universitair geschoolde conservators-restaurateurs nodig en onontbeerlijk voor het beroep maar een gedegen praktische kennis is even onontbeerlijk.
Gezien het academisch karakter van de in het verzoekschrift voorziene opleidingen valt te vrezen dat de opleiding zeer sterk gericht is op de theoretische en de intellectuele vorming ten nadele van de praktijk. Wat logisch lijkt in de geest van de auteurs van het verzoekschrift voor wie ons beroep betitteld moet worden als ‘hoofdzakelijk intellectueel’.
Het feit dat men in het verzoekschrift tot wetsontwerp geen professionele praktijk eist van de houders van een diploma van het Hoger Onderwijs is symptomatisch voor het beperkte belang dat de aanvragers hechten aan dit fundamentele aspect van het vak. Maar ervaren restaurateurs weten hoe moeilijk het is om gediplomeerden van het Hoger Onderwijs zelfstandig aan het werk te zetten zonder een behoorlijke complementaire praktische vorming. Vaak ontbreken in de Instituten trouwens de aangepaste kunstwerken die essentieel zijn bij de praktijkstage.
Waarom worden daarom diploma’s van vormingen binnen andere types van onderwijs die zich naast een gedegen theoretische basiskennis meer op de praktijk toeleggen uitgesloten van het verzoekschrift?
Waarom wordt de vorming die door privé bedrijven gegeven wordt nooit erkend terwijl bepaalde ervan een internationale erkenning genieten die het belang van de eigen grote nationale opleidingen sterk overstijgt?
Tenslotte, hoe kan men rechtvaardigen dat in een beroep waarbinnen de ervaring en bedrevenheid en de praktische handvaardigheid zo belangrijk zijn, de beroepstitel in de toekomst het monopolie zou worden van gediplomeerden van het Hoger Onderwijs van het universitaire type?
Zonder reden neemt dit verzoekschrift tot wetsontwerp afstand van reglementeringen en praktijken die in het buitenland worden toegepast en die, in het belang van het erfgoed, andere opleidingen erkent dan deze gegeven in het Hoger Onderwijs.
Welke zijn de garanties in verband met de onpartijdigheid en niet-discriminatie van de niet nader omschreven administratieve commissie?
Een administratieve commissie die beschikt over het monopolie van de toekenning van de titel van conservator-restaurateur voor de ‘niet gediplomeerde’ personen (omdat erkende diploma’s niet bestonden!) zou enerzijds de beste en de slechtste oplossing kunnen zijn, afhankelijk van hoe ze samengesteld zal worden en van haar werking.
Van rechtswege zou ze een kwalitatief en neutraal promotie-instrument van het beroep kunnen zijn. Door haar privileges zou ze echter ook een instrument in de handen van een minderheid kunnen worden, behorend tot bepaalde verenigingen om economische monopolies te verwerven, om oneerlijke concurrentie in de hand te werken, om te ondernemende, te vernieuwende concurrenten uit te sluiten...
- Hoe garandeert men bijvoorbeeld dat de nieuw gediplomeerden, van rechtswege erkend, de andere/oudere “niet gediplomeerde” conservators-restaurateurs” of deze van een lager niveau niet willen marginaliseren?
- Hoe garandeert men dat bepaalde verenigingen hun leden niet zullen bevoordelen ten koste van leden van rivaliserende verenigingen. Zo is er geen enkele aanwijzing gegeven omtrent een essentiële vraag: welke professionele vereniging(en) zal/zullen worden erkend?
Er wordt in het verzoekschrift tot wetsontwerp geen enkele garantie geboden voor een geheel en onpartijdige samenstelling en werking van de commissie.
Hoe kan men onder deze voorwaarden niet vrezen voor een partijdige ontsporing in de richting van oneerlijke concurrentie, arbitraire uitsluiting en discriminatie?
Helaas is het Belgisch conservatie-restauratie milieu niet vrij van praktijken van oneerlijke concurrentie, arbitraire uitsluiting en discriminatie.
Het is logisch dat dit verzoekschrift tot wetsontwerp in nauwe samenwerking met het KIKP-IRPA ontstaan is. De bescherming van de beroepstitel van conservator-restaurateur is sinds lang én terecht één van de bekommernissen van dit Instituut. De aanvragende beroepsvereniging BRK-APROA is gesticht in de schoot van het KIKP-IRPA.
Verschillende conservators-restaurateurs menen dat dit nationaal Instituut, of haar leden, het bewijs leveren van protectionisme ten voordele van collega’s die in dat milieu gevormd zijn of die tegelijkertijd voor het Instituut en in de privé-sector werken. Restaurateurs met een onbesproken vakbekwaamheid werden van sommige openbare opdrachten uitgesloten omdat ze niet op de lijst van door het Instituut erkende restaurateurs stonden. Dit zonder dat deze procedures op duidelijke, officiële en transparante regels berusten.
Daardoor bestaat er een reële vrees dat met dit verzoekschrift tot wetsontwerp partijdige praktijken kracht van wet zullen worden en zullen leiden tot onrechtvaardige uitsluitingen vergelijkbaar met deze die sommigen onder de restaurateurs gedurende de laatste jaren ervaarden.













Kaderwet 24/09/2006